<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?>
<terms style="MEDIUM">

<term>
	<name>Competentie</name>
	<uitleg>
	<![CDATA[
	Een competentie is een bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten.<br/>
	<br/>
	Een andere term binnen deze context is <a href="?w=Deelcompetentie">Deelcompetentie</a>
	]]>
	</uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Deelcompetentie</name>
	<uitleg><![CDATA[Per competentie worden doorgaans deelcompetenties geformuleerd. Drie tot vier deelcompetenties per competentie is een richtinggevend aantal. Ook een deelcompetentie bestaat uit een geïntegreerd geheel van kennis, vaardigheden en attitudes aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten. ]]>
	</uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Leerresultaat</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Leerresultaten (ook ‘Learning Outcomes’ genoemd ) bepalen wat een lerende verwacht wordt te kennen, te begrijpen, te doen bij het afronden van een leertraject en de wijze waarop het geleerde kan worden getoond. Leerresultaten behelzen de toepassing van het geleerde in authentieke complexe beroepscontexten. Niet alleen ‘kennen’ moet hierbij geëvalueerd worden, maar ook ‘kunnen’ en ‘doen’. Een belangrijk kenmerk van leerresultaten is dat ze evalueerbaar moeten zijn en dus van dien aard moeten zijn dat ze aantonen wat de lerende geleerd heeft. Het is duidelijk dat het begrip leerresultaten sterk aanleunt bij het competentiebegrip waardoor kan gesteld worden dat ze als begrip inwisselbaar zijn.<br/>
	<br/>
	≈ Domeinspecifieke leerresultaten (DLR)<br/>
	De leerresultaten beschrijven de kennis, de vaardigheden en de attitudes die een student beheerst bij het afronden van een bachelor- of masteropleiding.<br/>
	<br/>
	Domeinspecifieke leerresultaten worden gezamenlijk uitgewerkt door de instellingen die een bepaalde bachelor- of masteropleiding aanbieden. 
	De Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) stelt de domeinspecifieke leerresultaten vast, waarna de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) ze valideert.  Het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming zorgt voor de registratie in de kwalificatiedatabank. De domeinspecifieke leerresultaten worden vervolgens automatisch op het betreffende niveau ingeschaald in de Vlaamse kwalificatiestructuur.
	De domeinspecifieke leerresultaten komen in de plaats van de domeinspecifieke referentiekaders die eerder door de NVAO en de visitatiecommissies werden gehanteerd.<br/> 
	<br/>
	≈ Opleidingsspecifieke leerresultaten (OLR)<br/>
	<br/>
	Een opleiding kan op drie manieren vorm geven aan de eigen profilering ten aanzien van de domeinspecifieke leerresultaten:<br/>
	<br/>
	(1) door het concretiseren van de domeinspecifieke leerresultaten in opleidingsspecifieke deelleerresultaten (ODLR)<br/> 
	(2) door het toevoegen van een set opleidingsspecifieke leerresultaten aan de domeinspecifieke leerresultaten<br/>
	(3) door het formuleren van een volledig eigen opleidingsspecifiek leerresultatenkader, dat is afgestemd op het domeinspecifiek leerresultatenkader, maar niet noodzakelijk een één op één relatie heeft met de domeinspecifieke leerresultaten
	]]>	</uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Deelleerresultaten</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Per leerresultaat worden doorgaans deelleerresultaten geformuleerd. Drie tot vier deelleerresultaten per leerresultaat is een richtinggevend aantal. Een deelleerresultaat heeft dezelfde kenmerken als een leerresultaat m.n. bepaalt wat een lerende verwacht wordt te kennen, te begrijpen, te doen bij het afronden van een leertraject en de wijze waarop het geleerde kan worden getoond. Ook deelleerresultaten richten zich op de toepassing van het geleerde in authentieke complexe beroepscontexten en tevens moet niet alleen ‘kennen’ maar ook ‘kunnen’ en ‘doen’ geëvalueerd worden m.a.w. een deelleerresultaat is evalueerbaar en moet aantonen wat de lerende geleerd heeft.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Indicator</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een indicator is een concrete vertaling van een nagestreefde competentie/leerresultaat (met deelcompetenties/deelleerresultaten) en is evalueerbaar in termen van de essentiële componenten van een competentie/een leerresultaat, met name kennis/inzicht, vaardigheden en attitudes en de integratie van deze componenten met elkaar in authentieke (beroeps)contexten. Indicatoren worden samen met de competenties/leerresultaten, deelcompetenties/deelleerresultaten op opleidingsniveau geformuleerd. Indicatoren worden bij voorkeur per competentie/leerresultaat en niet per deelcompetentie/deelleerresultaat geformuleerd om een te analytisch opdeling te vermijden.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[
		<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>
		Kwaliteitsraad HoGent 2012-2013: <em>Handleiding competentiematrix</em>, C. Vandenberghe en I. D’haese (intern HoGent document) ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Competentielijn</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een competentielijn/leerresultaatlijn) wordt aangestuurd door één of meerdere competenties/leerresultaten. Per competentie/ leerresultaat of cluster van competenties/leerresultaten wordt aangegeven hoe deze gradueel gerealiseerd worden en hoe de evaluatievormen, met de daaraan gekoppelde inhouden en werkvormen, deze graduele opbouw ondersteunen. <br/>
	Een competentielijn/leerresultatenlijn onderscheidt zich van een leerpad, een programmalijn, een thematische leerlijn en een leerroute.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[
	De Bie, D & de Kleijn, J. (2001). <em>Wat gaan we doen? Het construeren en beoordelen van opdrachten.</em> Houten/Diegem: Bohn 	Stafleu Van Loghum <br/>
	De Bie, Dick (2003). <em>Morgen doen we het beter. Handboek voor de competente onderwijsvernieuwer.</em> Houten: Bohn Stafleu Van Loghum
	]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Leerresultatenlijn</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een competentielijn/leerresultaatlijn) wordt aangestuurd door één of meerdere competenties/ leerresultaten. Per competentie/leerresultaat of cluster van competenties/ leerresultaten wordt aangegeven hoe deze gradueel gerealiseerd worden en hoe de evaluatievormen, met de daaraan gekoppelde inhouden en werkvormen, deze graduele opbouw ondersteunen. <br/>
	Een competentielijn/leerresultatenlijn onderscheidt zich van een leerpad, een programmalijn, een thematische leerlijn en een leerroute

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leerpad</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een leerpad is gericht op de systematische en chronologische opbouw van doelstellingen, leerinhouden, werkvormen en evaluatievormen binnen een opleidingsonderdeel. Indien een leerpad zich uitstrekt over meerdere opleidingsonderdelen binnen dezelfde discipline in het opleidingsprogramma spreekt men van een programmalijn

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leerlijn</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Indien een leerpad zich uitstrekt over meerdere opleidingsonderdelen binnen dezelfde discipline in het opleidingsprogramma spreekt men van een programmalijn. 
	Zie ook: <a href="?w=Leerpad">Omschrijving leerpad</a>
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leerlijn (thematische)</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een thematische leerlijn is een verzamellijn van competenties, evaluatievormen, leerinhouden en werkvormen die behoren tot een functie/rol van het beroep waartoe opgeleid wordt.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leerroute</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een leerroute is het studietraject (op basis van indicatoren) dat een lerende volgt, waaraan een verwacht uitstroomprofiel is verbonden.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Didactische werkvorm</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een didactische werkvorm omvat hoe een lesgever de eigen onderwijspraktijk organiseert en concreet uitbouwt om het verwerven van de beoogde competenties/leerresultaten en de hierbij nagestreefde doelstellingen in het eigen opleidingsonderdeel bij studenten te initiëren, te stimuleren en te integreren. Hierbij wordt ook meteen rekening gehouden met de evaluatievormen die zullen gehanteerd worden. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Doelstelling</name>
	<uitleg><![CDATA[
	De term ‘doelstellingen’ kan geïnterpreteerd worden als ‘de bedoeling, de verantwoording of bestaansreden van een opleiding, een opleidingsonderdeel in het opleidingsprogramma/curriculum of een onderwijsactiviteit’. Onderwijskundig echter wordt onder doelstellingen verstaan ‘het (zo concreet mogelijk) waarneembaar eindgedrag van een student’, dit zowel op het niveau van een opleiding, een opleidingsonderdeel of een onderwijsactiviteit. <br/>
	Doelstellingen worden zo goed als mogelijk volgens het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdsgebonden) geformuleerd.
	In essentie geven doelstellingen de grens aan tot waar een opleiding, een opleidingsonderdeel, een onderwijsactiviteit komt in het tijdsbestek dat hun wordt toebedeeld. <br/>
	Doelstellingen aangeduid door opleidingsonderdelen worden ‘concrete doelstellingen’ genoemd. Concrete doelstellingen omvatten het (zo concreet mogelijk) waarneembaar eindgedrag van studenten binnen de context van een opleidingsonderdeel. Ze zijn richtinggevend voor de beslissingen met betrekking tot leerinhoud, werkvormen, evaluatievormen, … Tevens leveren ze het bewijs van welk verwervingsniveau ‘inleidend – uitdiepend – gespecialiseerd’ het opleidingsonderdeel bereikt ten aanzien van de competenties/leerresultaten die ze ondersteunt en in de totaliteit van alle opleidingsonderdelen van welk verwervingsniveau de opleiding bereikt ten aanzien van alle competenties/leerresultaten die zij in haar opleidingsprofiel noteert. <br/> 
	Voor het uitschrijven van deze concrete doelstellingen kunnen taxonomieën (= classificatiesystemen) aangewend worden zoals de taxonomie van De Block, A. – Heene, J., de taxonomie van Bloom, B., het piramidemodel competentieontwikkeling van Miller, G. <br/>
	Studenten kunnen uit de concrete doelstellingen afleiden wat ze kunnen verwachten binnen een opleidingsonderdeel en waarop ze zich moeten richten.
	Doelstellingen beoogd door onderwijsactiviteiten worden ‘werkdoelstellingen’ genoemd en spitsen zich toe op het eindgedrag van een student binnen het werk- en leerproces in de onderwijsrealiteit van bv. een les, een opdracht, …

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[
	<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>
	Armstrong, M. (1995) <em>Handboek praktisch personeelsmanagment.</em> Utrecht: Uitgeverij Lemma BV <br/>
	De Block, A. (1995)  <em>Algemene Didactiek.</em> Gent: Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij <br/>
	De Block, A. en Heene, J.(1992)  <em>Inleiding tot de Algemene Didactiek.</em> Antwerpen: Standaard Educatieve uitgeverij <br/>
	De Block, A. en Saveyn,J.(1986)  <em>Leerdoelen formuleren. Takenboek en natest.</em> Antwerpen: Standaard Educatieve uitgeverij <br/>
	Dijkman, W. (1993) <em>Didactiek en lerende volwassenen: leren professionaliseren</em> Leiden: Spruyt, Van Mantgem & de Does <br/>
	Miller, G., (1990) <em>The assessment of clincal skills, competence/performance.</em> Academic Medecine, 65 (9),  565-569 <br/>
	Ten Dam G. e.a. (Reds) (2000). <em>Onderwijskunde Hoger Onderwijs. Handboek voor docenten.</em> Assen: Van Gorcum  
	]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leeromgeving</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Dit is het samenspel van maatregelen, leermaterialen, infrastructuur en begeleidingsvormen dat het leren faciliteert. <br/>
	Met een krachtige leeromgeving wordt een leeromgeving bedoeld die participatie, betekenisgericht leren, levensechte contexten en zelfsturing mogelijk maken.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leeromgeving (authentieke)</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een authentieke leeromgeving is gemodelleerd naar de originele werkomgeving, waarbij wordt getracht om de realiteit zoveel mogelijk te benaderen
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Leeromgeving (contextrijke)</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een leeromgeving is contextrijk als leersituaties, leermiddelen en leerinhouden een betekenisvol geheel vormen.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Ondersteuningsvorm</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Ondersteuningsvormen (begeleiding) worden vaak benoemd als ‘begeleidingsvormen’. Kortweg omvat  ‘ondersteuning’ welke rol een lesgever inneemt om een gekozen didactische werkvorm te realiseren/ te doen slagen bv. instructeur bij opdrachtgestuurd onderwijs, begeleider bij casegestuurd onderwijs, coach bij projectonderwijs.
	
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Onderwijsconcept</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In haar onderwijsconcept beschrijft een opleiding wat haar onderwijsrealiteit kenmerkt. Ze houdt hierbij rekening met de onderwijsprincipes geldend in de onderwijsinstelling waartoe ze behoort en geeft in functie van haar opleidingsvisie hieraan een eigen invulling en/of klemtonen. 
	Tevens wordt het gehanteerde didactisch model beschreven, met name hoe evaluatievormen, didactische werkvormen, ondersteuningsvormen (begeleiding),  onderwijsleermiddelen(studiematerialen) en competenties/leerresultaten worden ingevuld en op elkaar worden afgestemd.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Onderwijsleerproces</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het onderwijsleerproces omvat het leerproces van de studenten enerzijds, het onderwijzen van de lesgever anderzijds en de wederzijdse dynamiek tussen leren en onderwijzen.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Opleidingsprofiel</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Bij middel van een opleidingsprofiel profileert een opleiding haar identiteit. In de meest brede zin van het woord omvat dit de opleidingsvisie, de leerresultaten en leerresultatenlijnen  en de nodige concordantie met het geheel van gehanteerde geldende wetgevende en/of regelgeven de kaders.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Opleidingsvisie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In een opleidingsvisie omschrijft een opleiding de waarden die ze essentieel vindt ten aanzien van het beroep waartoe ze opleidt en ten aanzien van het onderwijsleerproces dat ze vooropstelt. Ze specificeert de normen en het doel dat ze nastreeft. Zo  onderscheidt  ze zich van andere gelijkaardige opleidingen.
	Tevens wordt de missie en de strategische positionering van de onderwijsinstelling waarin een opleiding is ingebed vertaald in de eigen opleidingsvisie. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Begeleid zelfstandig leren/werken</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze didactische werkvorm omvat een geheel aan zelfstandige leersituaties en begeleidingssessies waarbij studenten voor (een deel van) een opleidingsonderdeel meestal  individueel, maar dit kan ook  bij middel van duo-werk of in een kleine groep, kennis verwerven en/of verwerken. <br/>
	Aangepast studiemateriaal met ingebouwde begeleidingselementen (vb. e-learning, zelftoetsen, verwerkingsopdrachten, voorbeelden, studeersuggesties) wordt voorzien. Er worden contactmomenten ingelegd met de lesgever-begeleider waarop vragen kunnen gesteld worden.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Casusgestuurd onderwijs</name>
	<uitleg><![CDATA[
	De studenten worden door middel van een case vertrouwd gemaakt met een vorm van praktijkdenken. Ze worden uitgenodigd oplossingsgericht vanuit de werkelijke context te denken rekening houdend met persoonlijke, context- en situationele gegevens die in de case vermeld worden. Tevens worden ze gestimuleerd reeds verworven kennis te activeren en toe te passen. De lesgever faciliteert en structureert middels gerichte vragen de discussie/het overleg.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Excursie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Excursie is een collectieve leersituatie waarbij studenten de infrastructuur van de hogeschool verlaten om kennis te maken met de reële context van bedrijven, organisaties, instellingen, projecten, etc. of om bepaalde elementen uit de inhoud van een opleidingsonderdeel in een authentieke werk- en beroepscontext toegelicht te krijgen. 
	Dergelijke activiteiten zijn in tegenstelling tot veldwerk vooral gericht op het overbrengen van kennis over bepaalde organisaties, fenomenen, etc. 
	De (bege)leiding van een dergelijke uitstap kan in handen zijn van een lesgever, een deskundige ter plaatse (zoals een bedrijfsmedewerker) of een gids.
	Concrete voorbeelden van excursie zijn: een bedrijfsbezoek, een leerwandeling binnen een natuurgebied, een geleid bezoek aan een bouwwerf, een museumbezoek met gids, …

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Groepsdiscussie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Bij groepsdiscussie wordt probleemgestuurd en oplossingsgericht het in groep samen nadenken, het bundelen van kennis-ideeën-meningen gestimuleerd. De term ’probleem’ dient ruim geïnterpreteerd te worden: het kan een uitspraak, een stelling, een voorstel, een moeilijkheid, een fout, een dilemma, een probleemgeval (cf. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat), … zijn. Ook moet de term ‘oplossingsgericht’ ruim gezien worden m.n. als ‘met als doel iets te leren’, wat niet weerhoudt dat ook concreet iets effectief wordt opgelost. Er wordt een discussieleider aangesteld (lesgever of student in kleinere groep) die inhoudelijk niet tussenkomt en die de discussie leidt in verschillende fasen (o.a. afbakening discussieonderwerp, analyse, detectie kennis-ideeën-meningen-tegenstellingen in de groep, voorstellen tot oplossing, bespreking voorstellen, synthese, conclusie).
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Groepswerk</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Groepswerk wordt gedefinieerd als het geheel van activiteiten dat wordt uitgevoerd door een groep zonder dat permanent toezicht genoodzaakt is. Bij groepswerk kunnen de studenten in onderling overleg werken aan een opdracht/taak, een case, een project, een (materieel/ technisch/ technologisch/ creatief) product, … Er bestaan verschillende soorten groepswerk zoals parallel groepswerk waarbij studenten aan dezelfde opdracht werken in kleine groepjes of complementair groepswerk waarbij studenten in kleine groepjes aan verschillende (maar elkaar aanvullende) delen van een opdracht werken. Bij groepswerk wordt steeds een klassikaal terugmeldingsmoment voorzien waar elke groep zijn bevindingen met een opdracht/met een deel van een opdracht presenteert voor de totale groep medestudenten. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Hoorcollege</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Hoorcollege is een collectieve leersituatie waarbij de lesgever kennis overbrengt aan een groep studenten. De studenten moeten voornamelijk luisteren en noteren. De interactie loopt vooral van de lesgever naar de student. Activeren gebeurt bijvoorbeeld via het inventariseren van meningen, het stellen van vragen, het geven van plenaire oefeningen, het bediscussiëren van stellingen of voorbeelden, etc.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Microteaching</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Microteaching verwijst naar een praktijk waarbij (toekomstige) lesgevers een (vereenvoudigde) les aan andere (toekomstige) lesgevers (medestudenten) geven en hier feedback op krijgen. Het doel is hen meer ervaring te doen ontwikkelen in het plannen en uitvoeren van lessen. Daarnaast ondersteunt het hen bij het verwerven van zelfreflectievaardigheden, waardoor ze meer en gerichter gaan nadenken over zichzelf als leraar, hun lesgeefgedrag, hun lesgeefstijl, hun visie op het beroep leraar en op onderwijs in z’n totaliteit.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Onderwijsleergesprek</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het onderwijsleergesprek is een gestructureerd gesprek waarbij de lesgever de studenten stapsgewijs, door het stellen van vragen, tot bepaalde inzichten of tot het oplossen van een probleem brengt.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Peerteaching</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Over peerteaching spreekt men wanneer studenten, die bepaalde competenties reeds verworven hebben, worden ingeschakeld als student-lesgever. Deze studenten nemen daarbij vaak één of meer functies over die gewoonlijk door de lesgevers worden vervuld. Als synoniem voor peerteaching wordt vaak het begrip ‘peertutoring’ gebruikt.
	Hier gaat hier enkel om formele, dus bewust vooraf georganiseerde situaties waarin studenten leren van en door elkaar, dit in onderscheid met bv. peerlearning en peersupport die spontaan en ad hoc kunnen plaatsgrijpen tussen studenten (bv het op kot afspreken om een avond samen een moeilijk hoofdstuk uit een handboek door te nemen, het uitwisselen van nota’s, …). <br/>
	Peerteaching als didactische werkvorm vereist tevens een duidelijke koppeling aan de te verwerven competenties/leerresultaten voor studenten die een peerteaching-rol opnemen. Dit houdt in dat deze studenten hierbij begeleid worden en geëvalueerd.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	


<term>
	<name>Practicum - atelier - labo</name>
	<uitleg><![CDATA[Practicum – atelier – labo als didactische werkvormen binnen de infrastructuur van een opleiding geven studenten de kans om onder een vrij intensieve begeleiding het (genormeerd) gebruik van instrumenten en/of bepaalde technieken, vaardigheden of werkwijzen actief te verwerven en/of in te oefenen. Practicum – atelier – labo zijn zo georganiseerd en gemodelleerd dat wat ze beogen representatief is voor gelijksoortig werk in het werkveld. Er kan tijd vrijgemaakt worden voor collectieve instructies maar in tegenstelling tot een werkcollege, richt de (bege)leiding zich op het individueel leerproces van een student of op het leerproces in kleine teams studenten wat een gedifferentieerde aanpak (o.a. feedback) vergt. Bijgevolg is het aan te raden het aantal deelnemende studenten beperkt te houden. <br/>
	De BV-databank, een databank met gedetailleerde beschrijvingen, voorbeelden en steekkaarten over innovatieve onderwijsbenaderingen, werkvormen en evaluatiemethoden vermeldt als aanverwante werkvormen: taallabo, skillslab.

	
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Projectwerk</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze didactische werkvorm omvat een geheel aan zelfstandige leersituaties en begeleidingssessies  met een nadrukkelijke gerichtheid op de integratie van inhouden en vaardigheden uit verschillende opleidingsonderdelen. Het doel is voornamelijk (verworven) kennis en vaardigheden toepassen, leren projectmatig en zelfstandig in groep samenwerken gedurende een langere periode. De studenten werken aan een reële opdracht of een praktijkprobleem en moeten de opdracht/het praktijkprobleem analyseren, bepalen welke informatie moet gezocht worden, stellen een plan van aanpak op en voeren dit uit. Hierbij wordt ook een concreet resultaat (product) beoogd. De lesgever(s) neemt(nemen) de rol van begeleider of coach in en richt (richten) zich met regelmaat op het geven van feedback en het aanzetten tot reflectie. In tegenstelling tot begeleid zelfstandig werk vergt de integratiedoelstelling een intensieve voorbereiding, een grondig overleg  en een continue samenwerking tussen de bij het project betrokken vakspecialisten-lesgevers en waar mogelijk met het werkveld.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Seminarie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In deze didactische werkvorm passen studenten onder leiding van de seminariehouder op een geïntegreerde wijze inhouden uit verschillende vakgebieden toe.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Simulatiespelen: rollenspel en situatiespel</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Rollenspel en situatiespel zijn beide onder te brengen onder de overkoepelende term ‘simulatiespelen’. <br/>
	Een simulatie is een nabootsing van een reële of realistisch situatie die studenten in samenspel met elkaar (na)spelen, waarin ze kennis aanwenden en waarbij ze met bepaalde handelingen, gedragingen of houdingen een rol vormgeven. <br/>
	Zowel rollenspel als situatiespel bieden studenten de gelegenheid om in een veilige context sociaal-emotieve en communicatieve vaardigheden te oefenen. <br/>
	<br/>
	<a href="?w=Rollenspel">Naar omschrijving Rollenspel</a>  <br/>
	<a href="?w=Situatiespel">Naar omschrijving Situatiespel</a>
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Rollenspel</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Rollenspel kent verschillende omschrijvingen: het voornaamste uitgangspunt is echter dat er gewerkt wordt met welomschreven rollen waarbij vormgeving maar mogelijks ook standpunten, manieren van reageren of bepaald gedrag voorgeschreven zijn. Deze rollen worden in een concrete situatie geplaatst die vaak lijkt op een situatie uit het dagelijkse leven, die heel wat conflictstof kan inhouden. <br/>
	Het inleven in de positie van een ander m.n. een rol (perspectiefwisseling), het kunnen spreken over waarden en normen vanuit de bescherming van een rol en het beleven van tegengestelde waarden en belangen krijgen kans in een rollenspel. In het spel laten de spelers zien maar ervaren ze ook zelf wat de gevolgen kunnen zijn van bepaalde standpunten of van een bepaald gedrag. <br/>
	Het is zeer belangrijk in het nagesprek duidelijk de bespreking te richten op de rollen en niet op de persoon van de student die een rol speelde. Hierbij passen vragen als: welke rol speelde student X? Waaraan zag je dat hij deze rol speelde? Wat vind je het meest karakteristiek aan deze rol? Waar zou deze rol zich tegen verzetten? Wat zou deze rol doen als de situatie nog erger zou worden? …<br/>

	
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Situatiespel</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In een situatiespel is vooral de gespeelde situatie van belang. Men kan hier ook werken met welomschreven rollen, maar men kan er voor kiezen de rollen meer open te laten en hun invulling over te laten aan de improvisatie van de spelers (studenten). In het nagesprek richt men zich dan niet zo sterk op de rollen maar op de inhoud van de situatie en hoe die werd aangepakt. Ook hier richt men zich niet op de persoon van de speler maar op de situatie waarin zijn rol beland was en de inbreng van zijn/haar rol in de gespeelde situatie. Hierbij passen vragen als: beschrijf eens welke situatie je gezien hebt? Welk conflict deed zich voor in deze situatie? Hoe werd dit aangepakt? Op welk moment veranderde de situatie? Waardoor kwam dit? Wie had wat kunnen doen om de situatie ten goede om te buigen of zelfs op te lossen? …
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Stage</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Stage is een didactische werkvorm ingebed in het curriculum van de opleiding waarbij de student (algemene en beroepsgerichte) kennis en inzicht, vaardigheden en attitudes geïntegreerd toepast in een authentieke complexe beroepscontext of m.a.w. stage richt zich op het in praktijk brengen van de door de opleiding beoogde competenties/leerresultaten, al dan niet met focus op specifieke deelcompetenties/deelleerresultaten. Reflectie op het eigen professioneel handelen speelt een belangrijke rol en ondersteunt tevens een ingesteldheid tot levenslang leren belangrijk in het kader van verdere professionele ontwikkeling en loopbaanontwikkeling. Noodzakelijk zijn een duidelijke communicatie tussen de stageplaats, de student-stagiair en de onderwijsinstelling over de te ontwikkelen competenties/leerresultaten, de hierbij te realiseren (concrete en werk-) doelstellingen, de opdrachten/taken, de wijze van begeleiding en de evaluatie van de student.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Veldwerk</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Alhoewel in de BV-databank ook ‘veldwerk’ als aanverwante didactische werkvorm vermeld wordt bij ‘practicum - atelier - labo’ is het toch belangrijk naast de gelijkende kenmerken aan te duiden dat ‘veldwerk’ georganiseerd wordt buiten de infrastructuur van de opleiding waardoor de opleiding haar opdrachten (meer) moet aanpassen aan de externe bestaande realiteit van de veldwerkplek, terwijl bij ‘practicum - atelier - labo’ opdrachten meer kunnen gemodelleerd worden op maat van de (infrastructurele, materiele, inhoudelijke, …) mogelijkheden van de opleiding. Hierdoor scoort ‘veldwerk’ iets hoger op het vlak van authenticiteit. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Werkcollege</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Werkcollege is een collectieve interactieve leersituatie waarbij studenten onder (bege)leiding van onderwijzend personeel oefeningen maken, kennis toepassen, een probleemstelling of casus bespreken en uitwerken. In tegenstelling tot een hoorcollege waarbij de interactie vooral van de lesgever naar de studenten verloopt, komen in een werkcollege ook vormen van interactie voor waarbij studenten met elkaar communiceren of studenten interageren met de werkcollege(bege)leider. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Werkplekleren</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Als omschrijving hanteert het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: ‘Werkplekleren is gericht op het aanleren en toepassen van zowel algemene als arbeids- en beroepsspecifieke competenties in een arbeidssituatie die een leeromgeving is’. <br/>
	Als belangrijk onderscheid met ‘stage’ staan bij ‘werkplekleren’ werkplekgerelateerde en werkplekgestuurde opdrachten die authentiek, relevant, complex en ontwikkelingsgericht zijn, centraal en moet een opdrachtgestuurde benadering vanuit de opleiding vermeden worden. Het persoonlijk ontwikkelingsplan van de student wordt als vertrekpunt gezien gesteund op expliciete afspraken en regelingen tussen student, school en werkplek. <br/>
	Werkplekleren moet integraal deel uitmaken van het opleidingsprogramma/curriculum met duidelijke vooropgestelde doelen, ondersteund door meer flexibele onderwijsvormen en een sterker studentgecentreerd onderwijs. Dit houdt tevens in dat een opleiding zich bezint over de relevantie van haar inhouden t.a.v. de beroepspraktijk en hierbij transferproblemen tussen ‘opleiden’ en ‘werken’ reduceert, communicatie-feedback-reflectie als essentieel ziet bij individuele leerervaringen van haar studenten en er een zeer nauw partnerschap nagestreefd wordt tussen opleiding en werkplek zowel bij de  voorbereiding, de begeleiding als de evaluatie van ‘werkplekleren’. <br/>
	Belangrijk is ‘werkplekleren’ niet als evidentie te beschouwen en zich goed bewust te zijn van de noodzakelijke voorwaarden/eisen. Een actieve betrokkenheid van de school/opleiding  bij de praktijk is onontbeerlijk

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Begeleiding</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een begeleider: <br/>
	-	waakt erover dat de studenten zelfstandig, actief en samenwerkend leren en begeleidt enkel vanuit deze zorg; <br/>
	-	ziet het verbeteren van het samenwerkingsgedrag (relatiegedrag) als een middel tot het  bereiken van de inhoudelijke doelstellingen (taakgedrag). <br/> 
	Aan de rol van begeleider kan verschillende invullingen gegeven worden, maar elk van die invullingen heeft een ‘sturende invloed’: expert, adviseur (consultatie), feedbackgever, manager, probleemoplosser, controleur, informatieaanbrenger, rolmodel, supporter. <br/>
	Een voorbeeld: de rol van adviseur bij bv. casegestuurd onderwijs. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Coaching</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In het curriculumscreeningsinstrument HoGent wordt vermeld: ‘Actief leren impliceert een veranderende rol van de lesgever. De lesgever is niet langer louter een 'kennisleverancier', maar is een coach, die samen met de studenten het leerproces doorloopt. Hij/zij biedt daartoe interessant en relevant leermateriaal en geeft aanwijzingen over de wijze waarop studenten met het te verwerken materiaal aan de slag kunnen gaan.”  <br/>
	De basis van de relatie coach-gecoachte is gekenmerkt door een ‘even-waardigheid’.  De gecoachte staat centraal en initieert de coaching. De coach richt zich op het vergroten van het bewust worden en het nemen van verantwoordelijkheid bij de gecoachte.  <br/>
	De coach: <br/>
	-	waakt erover dat de studenten zelfstandig, actief en samenwerkend leren en coacht enkel vanuit deze zorg; <br/> 
	-	toont zijn vakmanschap hoofdzakelijk door te motiveren, te luisteren, vragen te stellen, feedback te geven en regelmatig assessmentmomenten te implementeren; <br/>
	-	ziet het verbeteren van het samenwerkingsgedrag (relatiegedrag) als een middel tot het bereiken van de inhoudelijke doelstellingen (taakgedrag). <br/>
	Een voorbeeld: de rol van coach bij bv. projectonderwijs.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Instructie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze ondersteuning/rol richt zich hoofdzakelijk op wat studenten moeten doen om een opdracht tot een goed einde te brengen. Hierbij krijgen de studenten de te volgen instructies, een tijdsplanning, een roostering van overlegmomenten, … 
	Verwante rollen zijn: organisator, moderator. <br/>
	Een voorbeeld: de rol van instructeur bij bv. probleemgestuurd onderwijs, moderator bij een debat in een les.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Mentoraat</name>
	<uitleg><![CDATA[
	In het Mentoring Manifest (Kenniskring mentoring, 2008) wordt de volgende definitie gehanteerd: 
	‘Mentoring staat voor een vrijwillige en persoonlijke relatie tussen tenminste twee mensen: een mentor en een mentee. De meer ervaren mentor begeleidt en ondersteunt de minder ervaren mentee in het ontwikkelen van sociale, cognitieve en/of emotionele competenties, waardoor zowel de mentor als mentee de kans krijgt zich te ontwikkelen.’ <br/> <br/>

	Kenmerkende aspecten van mentoring zijn: ervaringsdeskundigheid, procesgerichtheid, het belang van de mentor-mentee relatie, begeleiding, algemeen/holistisch en de mentor als rolmodel. (Mentoring Manifest 2008). <br/> <br/>

	De cel Diversiteit en gender UGent geeft als definitie: <br/>
	‘Mentoring is een vrijwillige begeleidende activiteit waarbij een meer ervaren persoon (de mentor) een minder ervaren persoon (de mentee) begeleidt door het uitwisselen van praktische ervaringen en het geven van regelmatige feedback. De klemtoon ligt op de sociale integratie van deze studenten. Het gaat daarom steeds om een 1-op-1 relatie waarbij de mentor fungeert als een persoonlijk en laagdrempelig aanspreekpunt voor de mentee.[…] De begeleiding die een mentor biedt, verschilt van de professionele ondersteuning die reeds aangeboden wordt bv. de monitoraten, studietrajectbegeleiding, psychosociale begeleiding,... Het is de taak van de mentor om de mentee toe te leiden tot het bestaande ondersteuningsaanbod.’


	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[
		<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>
	  Meijers, F. (2008). <em>Mentoring Manifest. Een fundament voor mentoringactiviteiten.</em> Via http://www.lava- group.com/doc/lava_manifest.pdf ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Monitoraat</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Monitoraat kan omschreven worden als “vakspecifieke inhoudelijke begeleiding van studenten, georganiseerd in groep of individueel, met als doel de student aan te moedigen tot zelfredzaamheid, zelfwerkzaamheid en zelfverantwoordelijkheid.” 
	Monitoraat kan o.a. als doelen stellen: <br/>
	- Tekorten in de voorkennis wegwerken; <br/>
	- Individuele lacunes opvullen; <br/>
	- Wegwerken van studieachterstand na ziekte; <br/>
	- Hulp bij verwerken van leerinhoud van opleidingsonderdelen vb. extra oefeningen geven; <br/>
	- Studeerbegeleiding vb. testen organiseren, coaching studievaardigheden; <br/>
	- Hulp bij voorbereiding examens <br/> 
	Monitoraat hanteert meestal volgende principes: <br/>
	- Het initiatief om moeilijkheden en problemen te signaleren en om aan monitoraatsactiviteiten 
	  deel te nemen, neemt de student zelf; <br/>
	- Het werkt autonoom d.w.z. heeft geen binding met bv. een opleidingsonderdeel/een lesgever die verantwoordelijk is voor het opleidingsonderdeel; <br/>
	- Het is een service om het studeren te ondersteunen. Het kan de student een grote (leer)winst 
	  bezorgen. <br/>
	Monitoraat wordt vaak vooral ingezet voor het ondersteunen van eerstejaarsstudenten bij hun studie en de specifieke moeilijkheden die de nieuwe studiesituatie m.n. de overgang van een voorgaand studieniveau (bv .het secundair onderwijs) naar het hoger onderwijs met zich meebrengt.

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Authenticiteit in (evaluatie)</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Authenticiteit in evaluatie richt zich op hoe studenten functioneren als beginnend beroepsbeoefenaar door de situaties in evalueren (in grote mate) te laten overeenkomen met de toekomstige beroepspraktijk en -context. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van relevante praktijksituaties die betekenisvol en levensecht zijn. <br/>
	Authenticiteit is een na te streven kwaliteitskernmerk in alle evaluatievormen binnen competentiegericht opleiden. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Formatieve evaluatie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Formatieve evaluatie is er opgericht continu doorheen het onderwijsleerproces kwaliteiten en tekorten (sterktes en zwaktes) van studenten wat betreft hun kennis/inzicht en/of vaardigheden en/of attitudes en/of de onderlinge integratie van deze drie componenten tijdig op te sporen, te duiden en hiertoe een efficiënte ondersteuning of bijsturing in te zetten. <br/> 
	Formatieve evaluatie implementeert bijgevolg met regelmaat (systematisch) feedback wat zowel aan studenten als aan lesgevers-begeleiders het nodige inzicht en overzicht over de gemaakte vorderingen ten aanzien van de beoogde competenties/leerresultaten kan verschaffen, zonder hieraan meteen een (eind)beoordeling te koppelen (cf. summatieve evaluatie). <br/>
	In het kader van onderwijsvernieuwende evaluatievormen blijken ‘portfolio’ en ‘assessment’ (self-, peer- en co-assessment) aanbevolen voor formatieve evaluatie. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Performance assessment</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze assessmentvorm is verwant met gedragsevaluatie maar verschilt ervan door een grotere inbreng van de studenten (meer zelfsturing) bij de voorbereiding (bepalen van evaluatiecriteria), de begeleiding (aard en timing) en de beoordeling (aandeel in de eindbeoordeling). Er wordt op systematische wijze gepoogd de gedragsvaardigheden van de studenten te evalueren ( te ‘meten’): is deze in staat om kennis te gebruiken bij het oplossen van nieuwe problemen of bij het volbrengen van complexe taken? Tevens is hierbij oog voor het gedrag (houding/attitudes) van de student. De beoordeling van ‘performance – tasks’ is veelal geïndividualiseerd en gecontextualiseerd
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Co-assessment</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Bij deze assessmentvorm werken lesgever-evaluator en student samen om de te beogen competenties/ leerresultaten te verduidelijken en samen hiertoe doelstellingen (op maat van de student) te formuleren. Tevens worden ook de ondersteuningsmodaliteiten (o.a. tijds- en overlegplanning) en -rol (begeleider, coach) afgesproken. Eveneens is het belangrijk dat beide samenwerken voor het bepalen van wat moet geëvalueerd worden, welke evaluatiecriteria hierbij zullen gehanteerd worden en op welke wijze geëvalueerd wordt. <br/>
	Co-assessment richt zich dus op dialoog tussen lesgever-evaluator en student en past vooral binnen formatieve evaluatie, alhoewel het sterk aan te raden is de student ook ruimte te geven in de (eind) beoordeling (summatieve evaluatie). 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Bachelorproef</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het OER – HoGent vermeldt: “De bachelorproef is een finaliteit van een professioneel gerichte bacheloropleiding. De bachelorproef vertrekt vanuit een heldere en onderbouwde probleemstelling of onderzoeksvraag, die relevant is voor het werkveld en die waar mogelijk in een internationaal perspectief wordt geplaatst.”  <br/>
	Het bestuurscollege bekrachtigde de basisprincipes van de bachelorproef aan de Hogeschool Gent

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ <strong>Bronnen:</strong><br/><br/> Basisprincipes van de bachelorproef aan de Hogeschool Gent: document B/BC/2013/DOW/1011  ]]></reference>

</term>	

<term>
	<name>Summatieve evaluatie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Summatieve evaluatie richt zich op het formuleren/toekennen van een (eind)beoordeling (meestal kwantitatief vertaald in een cijfer/punten) aan de door student verworven kennis/inzichten en/of vaardigheden en/of attitudes en/of de onderlinge integratie van deze drie componenten. De uitgangsvraag voor deze evaluatie is in hoeverre de student het welomschreven geheel van de vooropgestelde competenties/leerresultaten (cf. opleidingsprofiel) verworven heeft, dit zowel binnen de context van een opleidingsonderdeel als binnen de context van de totale opleiding.   
	Op basis van de verkregen gegevens wordt een beslissing genomen die een selectieve invulling (cf. voldoet of voldoet niet) heeft. Deze beslissing kan o.a. aangewend worden bij advies tot verdere studieloopbaan en studieoriëntering

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Niet-periodegebonden evaluatie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het OER – HoGent vermeldt volgende omschrijving: “Niet-periodegebonden evaluatie is een evaluatie van de studieprestaties tijdens de periodes voor onderwijs- en studieactiviteiten, zoals voorzien in de academische kalender. Niet-periodegebonden evaluaties kunnen verschillende vormen aannemen. Indien relevant, krijgen de studenten tussentijdse informatie over de prestaties zodat ze nog kunnen bijsturen.”  <br/> <br/>

	Men kan er voor kiezen om niet-periodegebonden evaluatie louter formatief in te vullen waarbij de lesgever door tussentijdse begeleiding/coaching of tussentijdse toetsing (bv. bij middel van oefeningen, een opdracht, …) de student aanduidt  wat hij reeds wel of niet verworven heeft en welke hulp de student kan/moet inschakelen om het gestelde resultaat (= doelstellingen van het opleidingsonderdeel gelinkt aan de beoogde leerresultaten) te behalen. Hier hanteert de lesgever geen quotatie (punten) die hij later als deelscore zal meetellen voor de eindbeoordeling, maar ligt de nadruk op feedback.
	Het is wel zeer belangrijk de student bij voorbaat te informeren waarop de eindbeslissing/eindscore (selectief, summatief) dan wel zal gebaseerd zijn bv. door een afzonderlijk eindexamen of op het eindproduct dat van de student gevraagd wordt of bij middel van de eindevaluatie van het leerproces op basis van evaluatiecriteria waarvan de student reeds van bij de aanvang werd op de hoogte gesteld of …
	Deze invulling van niet-periodegebonden evaluatie met formatieve invulling kenmerkt zich door een meer holistisch karakter. <br/> <br/>

	Een andere invulling van niet-periodegebonden evaluatie is dat de lesgever-evaluator tussentijdse toetsingen (oefeningen, opdrachten, …) inlegt die hij wel beoordeelt (= quoteert) en die hij later wel zal meenemen als deelscore van de eindbeoordeling. Hieraan wordt ook telkens een feedbackmoment verbonden om het leerproces van de student te ondersteunen. Meestal ziet men dat de lesgever-evaluator bij  deze invulling van niet-periodegebonden evaluatie een combinatie maakt met nog een afzonderlijke eind-evaluatievorm, meestal een eind-examenvorm, die het resterend percentage van de totale eindbeoordeling draagt. Voor de uiteindelijke eindscore van een opleidingsonderdeel worden dan de tussentijdse deelscores en de score op de eind-evaluatievorm (meestal eindexamen) opgeteld. Hier kenmerkt niet-periodegebonden evaluatie zich door een summatief – analytisch karakter. Deze invulling wordt vaak gebruikt in het secundair onderwijs (cf. frequente toetsen tijdens het leerproces, tussentijdse rapporten, oudercontactavonden). 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Periodegebonden evaluatie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het OER – HoGent vermeldt volgende omschrijving “Periodegebonden evaluatie is een evaluatie van de studieprestaties tijdens de examenperiodes, zoals voorzien in de academische kalender.” <br/> <br/>

	Periodegebonden evaluatie heeft steeds een summatief karakter en kan de vorm hebben van een (eind)examen (schriftelijk of mondeling), een eindproef, een eindopdracht, …

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Assessment</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Optimaal vraagt assessment een holistisch benadering van wat een student kent en kan en wat zijn houding (attitudes) hierbij kenmerkt doorheen het leerproces dat hij doorloopt in het kader van een opleidingsonderdeel. Dit houdt in dat voor alles wat een student verwezenlijkt getracht wordt een gezamenlijk evaluatiecriteria-kader gelinkt aan de beoogde competenties/leerresultaten te hanteren of tenminste getracht wordt gedifferentieerde evaluatiecriteria-kaders aan elkaar te linken. <br/>
	Assessment wordt gekenmerkt door: <br/>
	- kennisconstructie is het uitgangspunt, niet kennisreproductie; <br/>
	- zowel basiskennis als het toepassen van kennis en vaardigheden, als vertoonde (waarneembare) houding/attitudes worden in oogschouw genomen worden; <br/> 
	- er worden authentieke of levensechte situaties gekozen; <br/> 
	- studenten worden actief betrokken bij het ontwerp en /of de uitvoering van evaluatiecriteria en de evaluatie; <br/>
	- evaluatie wordt geïntegreerd in het onderwijsleerproces; <br/>
	- zowel het product als het proces dat geleid heeft tot het product worden opgenomen in het evaluatieproces en in de beoordeling; <br/>
	- leerinhoud en leerproces kenmerken zich door hun complexiteit; <br/>
	- evaluatie en beoordeling (summatief) is niet een alleenrecht van de lesgever-evaluator, wat kritische zin en zelfreflectie stimuleert; <br/> 
	- feedback en reflectie zijn essentieel (formatief); <br/>
	- er wordt zoveel mogelijk continuïteit doorheen het onderwijsleerproces nagestreefd; <br/>
	- het heeft een sterk studentgecentreerd gehalte: zelfwaakzaamheid, zelfwerkzaamheid en zelfsturing wordt bij studenten geactiveerd. <br/> <br/>
	
	Zie ook de specifieke vormen: <a href="?w=Peer-assessment">Peer-assessment</a> <a href="?w=Co-assessment">Co-assessment</a> <a href="?w=Self-assessment">Self-assessment</a> <a href="?w=Performance assessment">Performance assessment</a>

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Peer-assessment</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Peerassessment richt zich op een dialoog tussen studenten waarbij zij elkaar feedback geven en alzo betrokken worden bij de evaluatie van de kwaliteit van het door elk van hun geleverde werk en de hiervoor vereiste kennis/inzicht, vaardigheden en attitudes. Zij bepalen mee de evaluatiecriteria en ontdekken zelf of die relevant zijn of niet. Voor de uiteindelijke beslissing (cf. beoordeling: summatief) kan gekozen worden dat die nog bij de lesgever-evaluator ligt of kan gewerkt worden met een verdeelsleutel waarbij voor een deel van de eindquotering het peerassessment in rekening wordt genomen.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Gedragsevaluatie op de werkvloer</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Gedragsevaluatie is een vorm van integrale evaluatie waarbij studenten gedurende een langere periode in reële beroepssituaties (of onderzoekssituaties) complexe taken moeten uitvoeren. Een gedragsevaluatie is, in tegenstelling tot een vaardigheidstest waarbij geïsoleerde vaardigheden gefocust worden, een veel ruimere evaluatie waarbij opdrachten gegeven worden die representatief zijn voor het geïntegreerd handelen van professionals. Bij een gedragsevaluatie wordt, via het hanteren van waarneembare gedragsindicatoren, nagegaan in welke mate de uitvoering van de beroepstaken in overeenstemming is met het vereiste competentieniveau. De evaluatoren kunnen personen op de werkplek zijn (adviserend voor de eindbeoordeling), en/of de begeleider van de hogeschool (beslissend voor de eindbeoordeling). Deze vorm van evalueren is vaak een onderdeel van de beoordeling bij stage. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>	

<term>
	<name>Masterproef</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een masterproef is een werkstuk waarmee een masteropleiding wordt afgesloten. De studieomvang van een masterproef uitgedrukt in studiepunten is gelijk aan ten minste één vijfde van het totaal aantal studiepunten van het opleidingsprogramma met een minimum van 15 studiepunten en een maximum van 30 studiepunten. Met een masterproef geeft een student blijk van het vermogen tot artistieke creatie. De masterproef reflecteert een probleemstelling of onderzoeksvraag, die relevant is voor het kunstenveld en die in een internationaal perspectief wordt geplaatst. Het werkstuk weerspiegelt de academische ingesteldheid van de student: het getuigt van een onderzoekende houding in functie van de ontwikkeling van een eigen klank- en beeldtaal, van dramatische expressie, met openheid voor vernieuwing op technisch en artistiek vlak.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Mondeling examen</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een mondeling examen heeft bij voorkeur de vorm van een gesprek tussen een examinator en een student. Het aantal vragen wordt begrensd overeenkomstig het tijdsbestek dat het mondeling examen is toegekend. Men kan een onderscheid maken tussen vragen die een uitgebreid antwoord of een eerder beperkt antwoord vergen. Ook doorvragen en het herformuleren van vragen zijn mogelijk. <br/>
	Een mondeling examen kan bijvoorbeeld bestaan uit (een selectie van) de volgende fasen: <br/>
	(1) de student bereidt zich (schriftelijk) voor op de voorgelegde vragen; <br/>
	(2) de examinator neemt de schriftelijke voorbereiding van de student door; <br/>
	(3) de student geeft een mondelinge toelichting waarin hij/zij de vragen beantwoordt en eventueel aanvult wat hij in zijn schriftelijke voorbereiding neergeschreven heeft; <br/>
	(4) de examinator stelt bijvragen om de studenten de kans te geven bepaalde hiaten in hun antwoord aan te vullen en/of om zichzelf de kans te geven door middel van de gehanteerde moeilijkheidsgraad van de bijvragen accurater een beoordeling toe te kennen. <br/>
	‘Hét mondeling examen’ als dusdanig bestaat niet. Er is een veelheid aan varianten die allen in meerdere of mindere mate het predicaat ‘mondeling’ verdienen zoals mondeling examen louter gericht op kennis(re)productie, mondeling examen gekoppeld aan een opdracht of een case, mondeling examen gekoppeld aan een presentatie door studenten, mondeling examen met leerjournaal/leerrapport , ...

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>De Neve, H. en Janssen ,P.J. ( 1992). <em>Succesvol examineren in het Hoger Onderwijs.</em> Leuven: Acco ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Openboekexamen</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een openboekexamen is een mondelinge of schriftelijke evaluatievorm waarbij de examinator de studenten toelaat om in meerdere of mindere mate gebruik te maken van schriftelijk en/of elektronisch studie- en bronnenmateriaal voor het beantwoorden van de vragen in het examenlokaal. Indien het slechts gaat om het gebruik van hulpmiddelen zoals een woordenboek, rekenmachine of tekenmateriaal, gaat het niet om een openboekexamen, maar om een ‘gewoon’ schriftelijk examen met open, gesloten of meerkeuzevragen. <br/>
	Een schriftelijk examen met open vragen en een mondeling examen kunnen ingericht worden als ‘openboekexamen’ of als ‘gesloten boek examen’.
	Een schriftelijk examen met gesloten vragen wordt ingericht als ‘gesloten boek examen’. <br/>
	Een schriftelijk examen met meerkeuzevragen wordt meestal ingericht als ‘gesloten boek examen’, maar kan ook ingericht worden als ‘openboekexamen’ op voorwaarde dat het correcte alternatief/ de correcte alternatieven niet letterlijk te vinden zijn in het aanwezige studie- en bronnenmateriaal. Een voorbeeld hiervan is als de stam bestaat uit een nieuw complex wiskundig vraagstuk waarbij als alternatieven ‘mogelijke wiskundige uitkomsten’ worden genoteerd, waarin de student het correcte alternatief moet aanduiden. Hiertoe kan hij het aanwezige studiemateriaal consulteren bv. voor de te hanteren formules maar zal hij het correcte antwoord niet terugvinden in het gehanteerde studiemateriaal. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Paper - werkstuk</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een paper - werkstuk is een product dat studenten (individueel of in groep)  in opdracht van een lesgever/lesgevers uitwerken en waaraan evaluatie verbonden wordt. Verschillende vormen van producten zijn mogelijk: het kan gaan om een paper, een maquette, een softwareprogramma, een ontwerptekening, een filmproductie, een muziekcompositie, enz.. Omdat hierbij vaak de integratie van verschillende competenties/leerresultaten beoogd wordt, is het belangrijk bij voorbaat duidelijke evaluatiecriteria te formuleren en te communiceren. Deze evaluatiecriteria dienen voldoende houvast te bieden voor zowel de studenten bij de uitwerking van hun opdracht als voor de evaluatoren bij het ondersteunen van de realisatie van de opdracht en tenslotte bij het beoordelen van het afgewerkte eindproduct. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Clement, M. en Laga, L (eds)  (2005) <em>Steekkaarten doceerpraktijk.</em> Antwerpen: Garant ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Portfolio</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Het specifieke aan portfolio is dat het én als didactische werkvorm én als een assessmentvorm kan gehanteerd worden waarbij beide elkaar voortdurend bevruchten. Bij middel van een portfolio wordt zichtbaar en op te volgen welk individuele leerproces een student doorloopt en in welke mate beoogde competenties/leerresultaten - door het opleidingsonderdeel/de opleidingsonderdelen waarvoor portfolio ingelegd wordt - verworven worden/zijn. <br/>
	Er bestaan verschillende soorten portfolio’s maar in essentie kan een portfolio omschreven worden als ‘een bundeling of verzameling van werken of verwezenlijkingen van een student (‘bewijsstukken’ genoemd) waaraan volgende voorwaarden gekoppeld zijn’ m.n. bij het werken met portfolio: <br/>
	-	stelt de student zelf zijn portfolio samen; <br/>
	-	wordt de groei en ontwikkeling tot de beoogde competenties/leerresultaten gedocumenteerd; <br/>
	-	is reflectie door de student essentieel; <br/>
	-	wordt ondersteuning geboden bij middel van begeleiding of coaching; <br/>
	-	wordt geëvalueerd bij middel van assessment (self-assessment, co-assessment). <br/> <br/>

	Een portfolio kan ook in een elektronisch format uitgewerkt worden. Het belangrijkste kenmerk van een elektronische portfolio is dat het gemakkelijk toegankelijk kan worden gemaakt voor anderen. Dit  opent nieuwe mogelijkheden: door het gebruik van hyperlinks kan de lineaire structuur van schriftelijk materiaal worden doorbroken en kunnen er andersoortige samenhangen worden aangegeven; een begeleider of coach kan continu het proces volgen en ingrijpen als het nodig is; de maker van een portfolio kan toegang verschaffen aan medestudenten waardoor er wederzijdse communicatie mogelijk is, wat kan stimuleren tot meer toelichting en reflectie; er ontstaat alzo een virtuele leergemeenschap (virtual learning community) waarbij zelfs de grenzen van de eigen schoolgemeenschap kunnen doorbroken worden.  

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Filip Dochy e.a. (2002).  <em>Assessment in onderwijs.</em> Utrecht: Lemma BV ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Schriftelijk examen met gesloten vragen</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Gesloten vraagvormen leiden tot een welbepaald vooropgesteld gestandaardiseerd antwoord, waarvan verwacht wordt dat de student dit geeft (reproductieve kennis). <br/>
	Vb. gesloten vraag: <br/>
	Wie is de huidige voorzitter (anno 2014) van de Europese Raad? (Alleen ‘Herman Van Rompuy’ is het juiste antwoord). <br/>
	Vb. gesloten vraag: <br/>
	Wat is de vereenvoudigde formule van de gravitatiewet van Newton voor een voorwerp op aarde? Benoem de componenten van de formule.  (Alleen: ‘F= m.g , waarin m de massa van het betreffende voorwerp is, en g de valversnelling aan het aardoppervlak’ is het correcte antwoord). <br/> <br/>

	Er zijn verschillende varianten van gesloten vragen te onderscheiden: rangschikvragen (bv. chronologisch), classificatievragen (bv. ordenen volgens eigenschap), invulvragen (bv. één begrip), … 
		

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Van Berkel H. en Bax A. (2002). <em>Toetsen in het Hoger Onderwijs.</em> Bohn Stafleu Van Loghum. Houtem/Diegem ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Schriftelijk examen met meerkeuzevragen</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Schriftelijk examen met meerkeuzevragen bestaat uit een ‘stam’ (probleemstelling, vraag, oefening, case, …) en hierbij een aantal geformuleerde antwoordmogelijkheden waaronder foutieve alternatieven (afleiders) en één (of meerdere) juiste alternatieven. De studenten moeten het juiste alternatief/de juiste alternatieven aanduiden om de meerkeuzevraag correct te beantwoorden. Het is aan te raden het aantal alternatieven beperkt te houden (bij voorkeur maximum 4 alternatieven) en ook het aantal juiste alternatieven te beperken, bij voorkeur tot één. <br/>
	In principe zijn meerkeuzevragen ook een voorbeeld van gesloten vragen waarbij een beoogd gestandaardiseerd antwoord moet herkend en aangeduid worden. 
	Meerkeuzevragen geven echter kans aan complexere mentale activiteiten dan louter reproductie van kennis zoals bij schriftelijk examen met gesloten vragen m.n. vergen ze het analyseren van de alternatieven, het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, het kunnen selecteren en toepassen van verworven kennis/inzicht om een juist alternatief te 'herkennen', het juiste antwoord kiezen (wat iets anders is dan 'raden'; een keuze maken vraagt beslissingskracht), ... <br/>
	Schriftelijk examen met meerkeuzevragen kan aangewend worden binnen competentiegericht opleiden al is het aan te raden het aantal schriftelijke examens met meerkeuzevragen te beperken gezien zij zich richten op het activeren van de nodige kennis/inzichten, vaardigheden, attitudes in de context van een examensituatie in tegenstelling tot evaluatievormen die zich richten op het activeren van de nodige kennis/inzichten, vaardigheden, attitudes in een authentieke (beroeps)context. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Clement, M. en Laga, L (Reds)  (2005) Steekkaarten doceerpraktijk. Antwerpen: Garant. <br/>
    De Neve, H. en Janssen ,P.J. ( 1992). <em>Succesvol examineren in het Hoger Onderwijs.</em> Leuven: Acco <br/>
    Van Berkel H. en Bax A. (2002). <em>Toetsen in het Hoger Onderwijs.</em> Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
	 ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Schriftelijk examen met open vragen</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Dit soort schriftelijk examen geeft kans aan een geïndividualiseerd antwoord (productieve kennis) van de studenten of m.a.w. er wordt geen ‘letterlijk’ gestandaardiseerd antwoord vooropgesteld. Er zijn verschillende varianten van open vragen te onderscheiden: argumentatievragen, bewijsvoeringvragen, analysevragen gelinkt aan een probleemstelling/een case, meningsvragen, ... <br/>
	Naar vorm is het aan te raden om het schrijfwerk van studenten én het naleeswerk van examinatoren te beperken door gebruik te maken van een ‘korte-antwoord’-vorm (bv. bewijs in maximum 10 enkelvoudige zinnen dat …) of van een voorstructurering van het examenmateriaal (bv. gebruik van schrijfkaders waarbinnen het antwoord moet neergeschreven worden).

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>De Neve, H. en Janssen ,P.J. (1992). <em>Succesvol examineren in het Hoger Onderwijs.</em> Leuven: Acco ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Scriptie</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Een scriptie is een schriftelijk werkstuk over een onderzoeksvraag in het kader van een specifiek onderwerp in een bepaald vakgebied. De scriptie kan in verband staan met de masterproef, maar fungeert als een autonoom onderzoek, waaruit blijkt dat de student in staat is om op een onderzoekende wijze nieuwe inzichten te ontwikkelen.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Vaardigheidsproef - vaardigheidstest</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze evaluatievorm peilt in hoeverre studenten de gewenste vaardigheden (eventueel gebruik makend van echte apparatuur zoals labomateriaal, bepaalde software, instrumenten, meettoestellen, etc.) adequaat en geënt op de nodige (wetenschappelijke) achtergrondkennis kunnen uitvoeren. 
	Werkelijke of gesimuleerde situaties worden gebruikt om vaardigheden aan het licht te brengen, te observeren en te scoren (mogelijks aan de hand van bv. beoordelingsschalen en/of observatielijsten en/of checklists). Er wordt hierbij gefocust op een geïsoleerde – met kennis onderbouwde – handeling (operationele vaardigheid). <br/>
	Vaardigheidsproef/vaardigheidstest kan hands-on, bij middel van simulatie of hands-off ingericht worden. <br/>
	-	Hands-on: in een reële setting en met gebruik van realistische apparatuur, gereedschappen of instrumenten worden bepaalde taken uitgevoerd (bv de verzorging op kamer van een patiënt na operatie in de dienst Algemene Heelkunde UZ). De evaluatievorm heeft een hoge representativiteit ten aanzien van het latere beroepsleven, maar scoort lager op betrouwbaarheid gezien het moeilijk is een reële setting te standaardiseren (bv: niet elke patiënt heeft dezelfde kenmerken).  <br/>
	-	Simulatie: bepaalde taken worden uitgevoerd in een nabootsing van een reële situatie waarbij  gebruik gemaakt van nagebootste werkomstandigheden (bv. het simuleren van reanimatie op een patiënt-pop waarbij aangegeven wordt dat het om een verdrinking gaat en de patiënt-pop benoemd wordt als een 51-jarige man met een diagnostiek van recente hartritmestoornissen) en van simulatoren (apparaten die sterk gelijken op deze uit de toekomstige werkcontext). De representativiteit is lager dan bij hands on-toetsen, maar de betrouwbaarheid is hoger.<br/>
	-	Hands-off: een evaluatievorm waarbij de student niet moet handelen, maar moet tonen dat hij weet hoe zou moeten gehandeld worden in een vooropgestelde situatie (cognitieve component van een competentie). Bv. de analyse, verklaring en/of oplossing van een aangereikt praktijkprobleem tijdens een mondeling examen. De representativiteit van deze evaluatievorm is eerder laag, maar de betrouwbaarheid hoog. 

	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Verslag - rapport - logboek</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze evaluatievormen richten zich op rapporteren van informatie, gebeurtenissen, de verwezenlijking van (groeps)opdrachten/taken. De nadruk ligt hier meestal niet op het evalueren van een product, maar wel gaat het om het proces dat doorgemaakt is door de student of groep studenten om tot een bepaald resultaat te komen. Het is echter ook mogelijk dat zowel het product (= het verslag, logboek, rapport zelf) als het proces (de ontwikkeling beschreven in het verslag, logboek, rapport) geëvalueerd worden. <br/>
	Belangrijk is de mate waarin de (groep) studenten in staat zijn hun wijze van aanpak te beschrijven, te beargumenteren, te reflecteren op de positieve en negatieve aspecten van die wijze van aanpak en na te denken over alternatieve of toekomstige manieren van aanpak. Om studenten duidelijk te maken wat precies in het verslag van hen verwacht wordt en om de eindversie van een verslag, rapport, logboek zo objectief mogelijk te beoordelen is het aan te raden om vooraf de evaluatiecriteria (product en/of proces) te formuleren en te communiceren aan studenten. ]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name><![CDATA[Feedback (360°)]]></name>
	<uitleg><![CDATA[
	Deze evaluatievorm omvat een proces van gestructureerd verzamelen, verwerken en bespreken van feedback vanuit meerdere perspectieven waarbij verschillende betrokkenen (lesgevers, peers, stagementoren, leidinggevenden, …) die in verschillende relatie tot de student staan, hun inbreng doen en waardoor een student zicht krijgt op waar hij staat in verband met het verwerven van de beoogde competenties/leerresultaten. 360% feedback wordt vooral aangewend in formatieve evaluatie.
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Van den Berg, J,  Van den Broek, S. (2006). <em>360°- Feedback als 'eye-opener</em>. Alphen aan den Rijn: Kluwer ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Actief leren</name>
	<uitleg><![CDATA[
	Actief leren ontstaat door elke onderwijsaanpak die studenten daadwerkelijk actief betrekt in het onderwijsleerproces. Actief leren houdt in dat studenten zinvolle leeractiviteiten geboden worden en dat hun nadenken over wat ze doen gestimuleerd wordt. De kernelementen zijn activiteit en engagement. 
	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[ ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>MOOC</name>
	<uitleg><![CDATA[ MOOC is een acroniem en staat voor Massive Open Online Course. Het betekent dat er online cursussen worden aangeboden waarop grote aantallen deelnemers - geografisch over de wereld verspreid - gratis kunnen intekenen. MOOCs zijn in zekere zin verwant met Online Education  en Open Course Ware. Heden bestaan er duizenden MOOCs met een verscheidenheid aan topics. De meeste MOOCs zijn van Amerikaanse origine (USA). In Europa zijn er intussen ook verschillende waardevolle initiatieven. De onderwijstaal van MOOCs is doorgaans het Engels. MOOCs bestaan in veel verschijningsvormen, maar in essentie betreft het leerinhouden in een soort van elektronische leeromgeving met de functionaliteiten zoals die aan de HoGent beschikbaar zijn binnen Chamilo]]> </uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>Schuwer, R, Janssen B., van Valkenburg, W. (2013) ‘MOOC’s: trends en kansen voor het hoger onderwijs’. In R. Jacobi, H. Jelgerhuis & N van der Woert (Red.),<em>Trendrapport Open Educational Resources 2013</em> (p. 23 - 29) Utrecht: SURF Geraadpleegd op 25-06-2014 via: <a href="http://www.surf.nl/binaries/content/assets/surf/nl/kennisbank/2013/Trendrapport+OER+2013_NL_+DEF+07032013+%28HR%29.pdf" target="_blank">http://www.surf.nl/binaries/content/assets/surf/nl/kennisbank/2013/Trendrapport+OER+2013_NL_+DEF+07032013+%28HR%29.pdf</a> ]]></reference>
</term>

<term>
	<name>Open Educational Resources (OER) </name>
	<uitleg><![CDATA[ Open Educational Resources (OER) zijn open leermaterialen die online beschikbaar zijn voor (her)gebruik. Het kopiëren, bewerken en verspreiden van het materiaal is onder voorwaarden toegestaan.	]]></uitleg>
	<reference><![CDATA[<strong>Bronnen:</strong><br/><br/>R. Jacobi, H. Jelgerhuis & N van der Woert (Red.),<em>Trendrapport Open Educational Resources 2013.</em>Utrecht: SURF Geraadpleegd op 25-06-2014 via: <a href="http://www.surf.nl/binaries/content/assets/surf/nl/kennisbank/2013/Trendrapport+OER+2013_NL_+DEF+07032013+%28HR%29.pdf" target="_blank">http://www.surf.nl/binaries/content/assets/surf/nl/kennisbank/2013/Trendrapport+OER+2013_NL_+DEF+07032013+%28HR%29.pdf</a> ]]></reference>
</term>


</terms>