Faculteit Mens en Welzijn

Campus Schoonmeersen
Valentin Vaerwyckweg 1 (auto, post)
Voskenslaan 270
9000 Gent
  +32 (0)9 243 26 29
  fmw@hogent.be

Faculteit Natuur en Techniek

Campus Schoonmeersen
Valentin Vaerwyckweg 1 (auto, post)
Voskenslaan 270 (voetgangers, openbaar vervoer)
9000 Gent
  +32 (0)9 243 27 00
  fnt@hogent.be

Faculteit Bedrijf en Organisatie

Campus Schoonmeersen
Valentin Vaerwyckweg 1 (auto, post)
Voskenslaan 270
9000 Gent
  +32 (0)9 243 22 00
  fbo@hogent.be

School of Arts

Campus Bijloke
J. Kluyskensstraat 2
9000 Gent
  +32 (0)9 267 01 00
  www.hogent.be/arts
  schoolofarts@hogent.be

 


Rolmodel worden

Sfeerbeeld rolmodel

Als je minstens zestig studiepunten hebt behaald, kan je je engageren als rolmodel. Zo sensibiliseer je jongeren uit het secundair onderwijs voor een opleiding in het hoger onderwijs. Interesse? Klik dan hier.

Referentiekader

De descriptoren op de onderstaande schalen zijn overgenomen uit het "Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen" (kortweg het ERK genoemd).

Het ERK is een Europees instrument om de taalbeheersing van taalleerders te omschrijven.

Aan HoGent faculteit Bedrijf en Organisatie willen we het ERK hanteren om voor de vreemde talen aan te geven welke algemene en specifieke niveaus gehaald moeten worden aan het eind van een opleidingsonderdeel (de "eindcompetenties").

Hieronder worden eerst de algemene schalen weergegeven (algemeen bereik, woordenschat, grammatica, uitspraak, spelling) en daarna de meer specifieke schalen, gerangschikt volgens de vier "skills" - spreken, schrijven, luisteren en lezen.

Voor bepaalde subschalen is binnen de faculteit Bedrijf en Organisatie van de Hogeschool Gent een aangepaste formulering opgesteld, in afwachting van een geverifieerde standaardomschrijving. Deze gewijzigde teksten zijn met een asterisk * gemerkt. Deze subschalen zijn niet geijkt met het meetmodel op basis van empirische gegevens.


top ALGEMEEN LINGUÏSTISCH BEREIK
C2

Kan gebruik maken van een volledige en betrouwbare beheersing van een zeer breed scala van taal om gedachten precies te formuleren, nadruk te leggen, onderscheid te maken en ambiguïteit uit te sluiten.

Er zijn geen tekenen dat hij of zij beperkt wordt in wat hij of zij wil zeggen.

C1

Kan een geschikte formulering kiezen uit een breed scala van taal om zich helder uit te drukken, zonder zich te hoeven beperken in wat hij of zij wil zeggen.

Kan zich helder uitdrukken zonder veel aanwijzingen dat hij of zij beperkt wordt in wat hij of zij wil zeggen.

B2

Beschikt over een voldoende breed scala van taal om duidelijke beschrijvingen te geven, standpunten te formuleren en argumenten te geven, zonder al te opvallend te hoeven zoeken naar woorden, en daarbij bepaalde complexe zinsvormen te gebruiken.

B1

Beschikt over een voldoende breed scala van taal om onvoorspelbare situaties te beschrijven, met redelijke nauwkeurigheid de hoofdpunten van een idee of probleem uit te leggen en gedachten onder woorden te brengen over abstracte of culturele onderwerpen zoals muziek en films.

Beschikt over genoeg taal om zich te redden, met een woordenschat die voldoende is om zich, met enige aarzeling en omhaal van woorden, te uiten over onderwerpen als familie, hobby´s en interessegebieden, werk, reizen en actualiteiten, hoewel lexicale beperkingen tot herhaling van woorden en soms zelfs tot problemen met formuleren leiden.

Beschikt over een repertoire van elementaire taal dat hem of haar in staat stelt met voorspelbare alledaagse situaties om te gaan, al zal hij of zij de boodschap vaak geweld moeten aandoen en naar woorden moeten zoeken.

A2

Kan beknopte alledaagse uitdrukkingen voortbrengen om te voldoen aan eenvoudige behoeften van concrete aard: persoonlijke gegevens, dagelijkse routines, wensen en behoeften, verzoeken om inlichtingen.

Kan elementaire zinspatronen gebruiken en communiceren met uit het hoofd geleerde frasen, woordgroepen en formules over zichzelf en anderen, wat zij doen, plaatsen, bezittingen, enzovoort. Beschikt over een beperkt repertoire van korte uit het hoofd geleerde frasen voor voorspelbare overlevingssituaties; in niet-alledaagse situaties komt het regelmatig tot mislukte communicatie en misverstanden.

A1

Beschikt over een zeer elementair bereik van eenvoudige uitdrukkingen over persoonlijke gegevens en behoeften van concrete aard

top BEREIK EN BEHEERSING VAN DE WOORDENSCHAT

De descriptoren op deze subschaal zijn niet geijkt met het meetmodel op basis van empirische gegevens.
Deze omschrijving is gebaseerd op het "Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen: Leren, Onderwijzen, Beoordelen; Common European Framework of Reference for Languages: Learning, Teaching, Assessment".
Wat betreft het vaktechnische is deze schaal aangepast binnen het departement Bedrijfsmanagement Mercator van de Hogeschool Gent, in afwachting van een geverifieerde standaardomschrijving.
De aangepaste regels zijn met een * gemarkeerd.

C2

Heeft een goede beheersing van een breed lexicaal repertoire met inbegrip van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal; toont zich bewust van betekenisconnotaties. Consequent correct en toepasselijk woordgebruik.

* Heeft een goede beheersing van de vakterminologie, de uitdrukkingen en idiomen.
* Gebruikt vakterminologie en vakjargon correct, toepasselijk en vlot, ook zonder voorbereiding.

C1

Heeft een goede beheersing van een breed repertoire aan woorden, waardoor hiaten in de woordenschat gemakkelijk kunnen worden gedicht met omschrijvingen; er is in geringe mate sprake van zichtbaar zoeken naar uitdrukkingen en vermijdingsstrategieën.
Goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal.
Incidentele kleine vergissingen, maar geen echte fouten in woordkeuze.

* Kent de belangrijkste vaktermen en gebruikt ze correct.
* Kan over de meeste aspecten van het vak en het beroep communiceren, en gebruikt hiervoor meestal de gangbare vaktermen en uitdrukkingen. * Kan over de meeste aspecten van het vak vlot spreken als er enige voorbereidingstijd is (bv. een presentatie geven, een verkoopgesprek voeren, advies geven, een klacht formuleren of behandelen).

B2

Beschikt over een goede woordenschat voor zaken die verband houden met het werk of het vakgebied en de meeste algemene onderwerpen.

Kan variatie aanbrengen in formuleringen om te veel herhaling te voorkomen, al kunnen hiaten in de woordenschat nog wel tot aarzeling en omschrijving leiden.

Trefzekerheid in woordkeuze is over het algemeen hoog, al komen enige verwarring en onjuist woordgebruik wel voor, zonder de communicatie in de weg te staan.

B1

Beschikt over voldoende woorden om zich, met enige omhaal van woorden, te uiten over de meeste onderwerpen die betrekking hebben op het dagelijks leven, zoals familie, hobby´s en interesses, werk, reizen en actualiteiten.

Goede beheersing van deze elementaire woordenschat, al doen zich nog wel grote fouten voor wanneer meer complexe gedachten worden ontvouwd of niet-vertrouwde onderwerpen en situaties aan de orde zijn.

A2

Beschikt over voldoende woorden om alledaagse handelingen uit te voeren die betrekking hebben op vertrouwde situaties en onderwerpen.

Beschikt over voldoende woorden om elementaire communicatiebehoeften tot uiting te brengen. Beschikt over voldoende woorden om primaire levensbehoeften te vervullen.

A1

Heeft een elementaire woordenschat die bestaat uit geïsoleerde woorden en frasen met betrekking tot bepaalde concrete situaties

top GRAMMATICALE CORRECTHEID
C2

Blijft grammaticaal meester van complexe taal, ook wanneer de aandacht elders is gericht (bijvoorbeeld op vooruitdenken of het monitoren van de reacties van anderen).

C1

Handhaaft consequent een hoge mate van grammaticale correctheid; fouten zijn zeldzaam en moeilijk aan te wijzen.

B2

Goede beheersing van de grammatica; incidentele vergissingen, niet-stelselmatige fouten en kleine onvolkomenheden in de zinsstructuur kunnen nog voorkomen maar zijn zeldzaam en worden meestal achteraf verbeterd.

Toont een betrekkelijk grote beheersing van de grammatica. Maakt geen vergissingen die tot misverstanden leiden.

B1

Communiceert redelijk correct in vertrouwde omstandigheden; vertoont over het algemeen een goede grammaticale beheersing maar met merkbare invloed vanuit de moedertaal. Fouten komen voor, maar het is altijd duidelijk wat hij of zij probeert uit te drukken.

Maakt met een redelijke mate van nauwkeurigheid gebruik van een repertoire van veelgebruikte 'routines' en patronen die bekend zijn van meer voorspelbare situaties.

A2

Gebruikt bepaalde eenvoudige constructies correct, maar maakt nog stelselmatig elementaire fouten - bijvoorbeeld door verschillende tijden door elkaar te gebruiken en niet te letten op congruentie; toch is meestal wel duidelijk wat hij of zij probeert te zeggen.

A1

Toont slechts beperkte beheersing van enkele eenvoudige grammaticale constructies en zinspatronen in een geleerd repertoire

top FONOLOGISCHE BEHEERSING
C2

Als C1

C1

Kan de intonatie variëren en de juiste nadruk in zinnen leggen om ook fijnere betekenisnuances uit te drukken.

B2

Heeft een heldere, natuurlijke uitspraak en intonatie verworven.

B1

De uitspraak is duidelijk te verstaan ook al is soms een duidelijk buitenlands accent te horen en worden er incidenteel uitspraakfouten gemaakt.

A2

De uitspraak is over het algemeen voldoende helder om te worden verstaan ondanks een merkbaar buitenlands accent, maar gesprekspartners zullen af en toe om herhaling moeten vragen.

A1

De uitspraak van een zeer beperkt repertoire van geleerde woorden en frasen is met enige inspanning verstaanbaar voor moedertaalsprekers die gewend zijn om te gaan met sprekers uit zijn of haar taalgroep.

top ORTHOGRAFISCHE BEHEERSING
C2

Het geschrevene is orthografisch foutloos.

C1

Lay-out, alinea-indeling en leestekengebruik zijn consistent en bevorderen de leesbaarheid. De spelling is correct, afgezien van een enkele verschrijving.

B2

Kan heldere, begrijpelijke, doorlopende tekst produceren die voldoet aan standaardconventies voor lay-out en alinea-indeling. Spelling en leestekengebruik zijn redelijk correct maar kunnen invloeden van moedertaal verraden.

B1

Kan heldere doorlopende tekst produceren die over het algemeen helemaal te begrijpen is. Spelling, leestekengebruik en lay-out zijn correct genoeg om het grootste deel van de tijd te kunnen worden gevolgd.

A2

Kan korte zinnen over alledaagse onderwerpen overschrijven, bijvoorbeeld een routebeschrijving.

Kan fonetisch redelijk correct (maar niet noodzakelijkerwijs helemaal in de standaardspelling) korte woorden opschrijven uit zijn of haar gesproken woordenschat.

A1

Kan vertrouwde woorden en korte frasen overschrijven, bijvoorbeeld eenvoudige aanwijzingen of instructies, namen van alledaagse dingen, namen van winkels en regelmatig gebruikte standaardzinnetjes.

Kan zijn of haar adres, nationaliteit, en andere persoonlijke gegevens spellen

top MONDELINGE INTERACTIE
C2

Heeft een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal en is zich bewust van betekenisconnotaties.

Kan fijnere betekenisnuances precies overbrengen door met redelijke nauwkeurigheid gebruik te maken van een breed scala van bepalende elementen.

Kan bij een moeilijkheid zo soepel herformuleren en herstructureren dat de gesprekspartner er nauwelijks erg in heeft.

C1

Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Heeft een goede beheersing van een breed repertoire aan woorden, waardoor hiaten in de woordenschat gemakkelijk kunnen worden gedicht met omschrijvingen. Er is nauwelijks sprake van merkbaar zoeken naar uitdrukkingen of toepassen van vermijdingsstrategieën; slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen.

B2

Kan de taal vloeiend, nauwkeurig en doeltreffend gebruiken over een breed scala van algemene, onderwijs-, beroeps- of ontspanningsonderwerpen en daarbij helder de verhoudingen tussen ideeën aanduiden.

Kan spontaan communiceren met een goede beheersing van de grammatica zonder veel tekenen dat hij of zij zich moet beperken in wat hij of zij wil zeggen, en kiest daarbij een mate van formaliteit die in de omstandigheden gepast is.

Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling en langer durende betrekkingen met moedertaalsprekers mogelijk zijn zonder dat dit een van de partijen belast.

Kan het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen benadrukken, en zienswijzen helder verantwoorden en staande houden met relevante uitleg en argumenten.

B1

Kan met enig vertrouwen communiceren over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken die betrekking hebben op zijn of haar belangstellings- en vakgebied.

Kan informatie uitwisselen, controleren en bevestigen, omgaan met minder alledaagse situaties en uitleggen waarom iets een probleem is.

Kan gedachten uitdrukken over meer abstracte, culturele onderwerpen zoals films, boeken, muziek, enzovoort.

Kan gebruikmaken van een breed scala van eenvoudige taal om zich te redden in de meeste situaties die op reis voorkomen.

Kan onvoorbereid deelnemen aan een gesprek over vertrouwde onderwerpen, uiting geven aan persoonlijke meningen en informatie uitwisselen over onderwerpen die vertrouwd zijn, van persoonlijk belang zijn of betrekking hebben op het dagelijks leven (bijvoorbeeld familie, liefhebberijen/hobby's, werk, reizen en actualiteiten).

A2

Kan redelijk gemakkelijk interactief zijn in gestructureerde situaties en korte gesprekken, mits de ander helpt als dat nodig is.

Kan eenvoudige routinegesprekken voeren zonder bovenmatige inspanning.

Kan vragen stellen en beantwoorden, en ideeën en informatie uitwisselen, over vertrouwde onderwerpen in voorspelbare alledaagse situaties.

Kan communiceren in simpele en alledaagse taken die een eenvoudige en directe informatie-uitwisseling vereisen over vertrouwde en alledaagse zaken die te maken hebben met werk en vrije tijd.

Kan zeer korte sociale gesprekken voeren maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden.

A1

Kan op een simpele manier interactief zijn maar de communicatie is volledig afhankelijk van herhaling in langzamer tempo, herformulering en herstel.

Kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen.

 

top GESPROKEN VLOEIENDHEID
C2

Kan zich langere tijd uitdrukken met een natuurlijke, moeiteloze taalstroom zonder aarzelingen. Pauzeert alleen om na te denken over precies de juiste woorden om zijn of haar gedachten uit te drukken of om toepasselijk voorbeelden of verklaringen te vinden.

C1

Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen.

B2

Kan spontaan communiceren en vertoont daarbij vaak opmerkelijke vloeiendheid en uitdrukkingsgemak, ook in langere complexe teksten.

Kan langere stukken tekst produceren in een redelijk gelijkmatig tempo; hoewel hij of zij kan aarzelen tijdens het zoeken naar patronen en uitdrukkingen, zijn er weinig merkbare pauzes.

Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk is zonder dat dit voor een van de partijen belasting met zich meebrengt.

B1

Kan zich betrekkelijk gemakkelijk uitdrukken. Ondanks enige problemen met formuleren, die tot pauzes en 'doodlopende wegen' leiden, kan hij of zij zonder hulp doeltreffend verder gaan.

Kan op verstaanbare wijze doorpraten, ook al pauzeert hij of zij regelmatig voor grammaticale en lexicale planning en er is heel duidelijk sprake van herstelacties, vooral in langere vrij geproduceerde stukken tekst.

A2

Kan zich in korte uitingen verstaanbaar maken, ondanks heel duidelijke onderbrekingen, valse starts en herformuleringen.

Kan frasen over vertrouwde onderwerpen met voldoende gemak construeren om korte interacties te hanteren, ondanks heel duidelijke aarzelingen en valse starts.

A1

Kan zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk voorgekauwde uitingen hanteren, met veel onderbrekingen om naar uitdrukkingen te zoeken, minder vertrouwde woorden uit te spreken en de communicatie te herstellen

top CONVERSATIE
C2

Kan gemakkelijk en adequaat converseren, niet gehinderd door talige beperkingen bij het leiden van een volwaardig sociaal en persoonlijk leven.

C1

Kan taal flexibel en doeltreffend gebruiken voor sociale doeleinden, met inbegrip van emotioneel, dubbelzinnig en humoristisch taalgebruik.

B2

Kan een uitgebreide conversatie voeren over de meeste algemene onderwerpen op duidelijk participerende wijze, zelfs in een lawaaierige omgeving.

Kan betrekkingen onderhouden met moedertaalsprekers zonder hen onbedoeld te amuseren of te irriteren en zonder hen te verplichten zich anders te gedragen dan zij tegenover een moedertaalspreker zouden doen.

Kan gradaties van emotie overbrengen en het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen benadrukken.

B1

Kan onvoorbereid deelnemen aan gesprekken over vertrouwde onderwerpen.

Kan helder uitgesproken spraak volgen die in alledaagse conversatie tot hem of haar gericht wordt, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en frasen.

Kan een conversatie of discussie onderhouden maar is soms moeilijk te volgen wanneer hij of zij precies probeert te zeggen wat hij of zij zou willen zeggen.

Kan gevoelens van verrassing, geluk, verdriet, belangstelling, onverschilligheid, enzovoort, uitdrukken en beantwoorden.

A2

Kan sociaal contact leggen: begroeten en afscheid nemen; voorstellen; bedanken.

Kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen.

Kan deelnemen aan korte gesprekken over belangwekkende onderwerpen in een alledaagse context.

Kan in eenvoudige bewoordingen uitdrukken hoe hij of zij zich voelt en dank uitspreken.

Kan zeer korte sociale gesprekken voeren maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden, al kan hij of zij uiteindelijk wel begrijpen wat bedoeld wordt als de spreker daarvoor de moeite neemt.

Kan eenvoudige alledaagse beleefdheidsvormen gebruiken om anderen te begroeten en aan te spreken.

Kan uitnodigingen doen, suggesties opperen en verontschuldigingen aanbieden, en daarop reageren.

Kan zeggen wat hij of zij leuk vindt en wat niet.

A1

Kan zich voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken.

Kan vragen hoe het met mensen gaat en reageren op nieuws.

Kan alledaagse uitdrukkingen begrijpen, gericht op de vervulling van eenvoudige behoeften van concrete aard, die rechtstreeks tot hem of haar worden gezegd in heldere, langzame en herhaalde bewoordingen door een sympathieke spreker

top FORMELE EN BEROEPSGEBONDEN GESPREKKEN
C2

* Kan zich handhaven in een formele discussie of debat over complexe zaken, en daarbij uitgesproken en overtuigende argumenten geven, zonder in het nadeel te zijn ten opzichte van moedertaalsprekers.

* Kan in complexe bedrijfssituaties tegenover klanten, overheden, controle-organismen, concurrenten edm het debat aangaan zonder in het nadeel te zijn ten opzichte van moedertaalsprekers.

C1

Kan het debat gemakkelijk bijhouden, zelfs over abstracte, complexe en niet-vertrouwde onderwerpen.

Kan een formeel standpunt overtuigend beargumenteren, daarbij ingaan op vragen en opmerkingen, en complexe tegenargumenten vloeiend, spontaan en correct beantwoorden.

* Kan zich tijdens een sollicitatiegesprek overtuigend voorstellen, ingaan op de gestelde vragen, en participeren aan het gesprek.

* Kan een verkoopgesprek voeren, indien voorafgaand de mogelijkheid bestond om het gesprek voor te bereiden.

* Kan volwaardig deelnemen aan een onderhandeling in een bedrijfssituatie, indien voorafgaand de mogelijkheid bestond om het gesprek voor te bereiden of indien hij/zij niet de eindverantwoordelijkheid draagt.

B2

Kan een geanimeerde discussie bijhouden en nauwkeurig argumenten voor en tegen bepaalde standpunten herkennen.

Kan zijn of haar ideeën en meningen precies onder woorden brengen en op overtuigende wijze complexe redeneringen presenteren en beantwoorden.

Kan actief deelnemen aan alledaagse en niet-alledaagse formele discussies.

Kan de discussie volgen over zaken met betrekking tot zijn of haar vakgebied en tot in details de punten begrijpen die van de spreker de meeste nadruk krijgen.

Kan zijn of haar mening bijdragen, verantwoorden en staande houden, alternatieve voorstellen beoordelen en hypothesen stellen en beantwoorden.

B1

Kan veel volgen van wat wordt gezegd met betrekking tot zijn of haar vakgebied, mits de gesprekspartners zeer idiomatisch taalgebruik vermijden en helder articuleren.

Kan een standpunt helder overbrengen, maar heeft er moeite mee om in debat te gaan.

Kan deelnemen aan een alledaagse formele discussie over vertrouwde onderwerpen die wordt gevoerd in een helder uitgesproken standaarddialect en die gaat om de uitwisseling van feitelijke informatie, het ontvangen van aanwijzingen of het bespreken van oplossingen voor praktische problemen.

A2

Kan over het algemeen veranderingen van onderwerp volgen in formele discussies die betrekking hebben op zijn of haar vakgebied wanneer deze langzaam en helder gevoerd worden.

Kan relevante informatie uitwisselen en zijn of haar mening geven over praktische problemen wanneer dat rechtstreeks gevraagd wordt, mits hij of zij enige hulp krijgt bij het formuleren en indien nodig om herhaling van belangrijke punten kan vragen.

Kan zeggen wat hij of zij van zaken vindt wanneer hij of zij rechtstreeks wordt aangesproken op een formele bijeenkomst, mits hij of zij indien nodig om herhaling van belangrijke punten kan vragen.

A1

Geen descriptor beschikbaar

top EEN PRESENTATIE GEVEN
C2

Kan een ingewikkeld onderwerp trefzeker, met zelfvertrouwen en duidelijk presenteren aan een publiek dat er niet vertrouwd mee is, en daarbij de voordracht flexibel structureren en aanpassen aan de behoeften van het publiek.

Kan overweg met moeilijke en zelfs vijandige vragen.

C1

Kan een heldere, goed gestructureerde presentatie geven van een ingewikkeld onderwerp en daarbij gezichtspunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden.

Kan overweg met tussendoor geplaatste opmerkingen en deze spontaan en vrijwel moeiteloos beantwoorden.

B2

Kan een duidelijke, stelselmatig ontwikkelde presentatie geven, met de nadruk op belangrijke punten en ter zake doende ondersteunende details.

Kan spontaan afwijken van een voorbereide tekst en ingaan op belangwekkende punten die vanuit het publiek worden aangedragen, en drukt zich daarbij vaak opmerkelijk vloeiend en gemakkelijk uit.

Kan een duidelijke, voorbereide presentatie geven, daarbij argumenten voor of tegen een bepaald standpunt noemen en de voor- en nadelen van verschillende opties geven.

Kan een reeks vervolgvragen beantwoorden met een mate van vloeiendheid en spontaniteit die noch hem of haar, noch het publiek inspanning kost.

B1

Kan een voorbereide presentatie geven over een vertrouwd onderwerp binnen zijn of haar gebied, die helder genoeg is om het grootste deel van de tijd moeiteloos te worden gevolgd en waarin de belangrijkste punten met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden uitgelegd.

Kan vragen beantwoorden naar aanleiding van de presentatie, maar moet soms om herhaling vragen als er snel is gesproken.

A2

Kan een korte ingestudeerde presentatie geven over een onderwerp dat betrekking heeft op zijn of haar dagelijks leven, en daarbij beknopt redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen.

Kan een beperkt aantal duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden.

Kan een korte, ingestudeerde, elementaire presentatie geven over een vertrouwd onderwerp.

Kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is.

A1

Kan een zeer korte ingestudeerde verklaring voorlezen, bijvoorbeeld om een spreker aan te kondigen.

top ZAKELIJKE TEKSTEN VERWERKEN
C2

Kan informatie uit verschillende bronnen samenvatten en daarbij argumenten en voorbeelden reconstrueren in de vorm van een samenhangende presentatie van het eindresultaat.

C1

Kan lange, veeleisende teksten samenvatten.
* Kan teksten over vaktechnische onderwerpen samenvatten in begrijpelijke, inhoudelijk correcte, en vlot leesbare vorm.
* Kan teksten over nieuwe ontwikkelingen, toegepast onderzoek of internationale tendenzen in het vakgebied op hoofdpunten weergeven.

B2

* Kan uiteenlopende feitelijke teksten samenvatten en daarbij tegengestelde gezichtspunten en de hoofdthema's becommentariëren en bediscussiëren.
* Kan hoofdpunten van nieuwsberichten, artikelen in vulgariserende vaktijdschriften samenvatten, en kan daarin correct de meningen weergeven, de voornaamste argumentatie uiteenzetten en de discussiepunten duiden.

 

B1

Kan kleine stukjes informatie uit meerdere bronnen samenvoegen en ze voor iemand anders samenvatten. Kan korte schriftelijke passages op eenvoudige wijze parafraseren en daarbij de oorspronkelijke bewoordingen en tekstvolgorde aanhouden.

A2

Kan uit een korte tekst binnen de beperkte competentie en ervaring van de leerder sleutelwoorden en frasen of korte zinnen oppikken en reproduceren. Kan korte gedrukte of in duidelijk handschrift geschreven teksten overschrijven.

A1

Kan losse woorden en korte teksten overschrijven die in gewone gedrukte vorm worden aangeboden.

top EEN VERSLAG OF RAPPORT SCHRIJVEN
C2

Kan heldere, vloeiend lopende, complexe verslagen, artikelen of rapporten voortbrengen waarin een zaak wordt beschouwd of een kritisch oordeel wordt gegeven over voorstellen, gebeurtenissen of probleemsituaties. Kan een gepaste en doeltreffende logische structuur verschaffen die de lezer helpt belangrijke punten te onderscheiden.

C1

Kan heldere, goed gestructureerde uiteenzettingen schrijven over ingewikkelde onderwerpen, waarin de relevante belangrijke kwesties worden benadrukt. Kan standpunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden.

B2

Kan een verslag schrijven waarin stelselmatig een argument wordt opgebouwd met de juiste benadrukking van belangrijke punten en relevante ondersteunende details. Kan verschillende ideeën of oplossingen voor een probleem evalueren.

Kan een verslag schrijven waarin een argument wordt opgebouwd en redenen voor of tegen een bepaald standpunt noemen en de voor- en nadelen van verschillende opties uitleggen. Kan informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeenvoegen.

B1

Kan korte, eenvoudige opstellen schrijven over belangwekkende onderwerpen.

Kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied samenvatten, in een verslag opnemen en becommentariëren.

Kan zeer beknopte verslagen schrijven volgens een standaardindeling, waarin alledaagse feitelijke informatie wordt doorgegeven en redenen voor handelingen worden vastgelegd.

A2

Geen descriptor beschikbaar

A1

Geen descriptor beschikbaar

top ALGEMENE ZAKELIJKE TEKSTEN SCHRIJVEN
C2

Kan heldere, soepel lopende, complexe teksten schrijven in een gepaste en doelmatige stijl en met een logische structuur die de lezer helpt belangrijke punten te herkennen.

C1

Kan heldere, goed gestructureerde teksten schrijven over ingewikkelde onderwerpen, waarin de relevante belangrijke kwesties worden benadrukt en standpunten uitgebreid worden uitgewerkt en ondersteund met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden, en afronden met een passende conclusie.

B2

Kan heldere, gedetailleerde teksten schrijven over uiteenlopende onderwerpen die verband houden met zijn of haar interessegebied, waarin informatie en argumenten uit verschillende bronnen worden bijeengevoegd en beoordeeld.

B1

Kan heldere samenhangende teksten schrijven over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied door een reeks kortere afzonderlijke elementen lineair met elkaar te verbinden.

A2

Kan een reeks eenvoudige frasen en zinnen schrijven, en daarin eenvoudige logische verbanden aanbrengen.

A1

Kan eenvoudige op zichzelf staande zinnen schrijven.

top ZAKELIJKE CORRESPONDENTIE
 
C2

* Kan vlot en foutloos complexe brieven schrijven en daarbij de juiste toon en registerkeuze hanteren: dreigbrief, ontslagbrief,

C1

* Kan zich helder en precies uitdrukken in zakelijke correspondentie en daarbij de taal flexibel en doeltreffend gebruiken. Kan hierbij nuances goed uitdrukken.

Kan vlot en foutloos complexe brieven binnen de handelstransactie schrijven, in correcte taal: voorstellen doen, aanvaarden of afwijzen; alternatieven en oplossingen suggereren; verantwoordelijkheid aanvaarden of afwijzen; aanmanen tot spoed of aansturen op uitstel; en zo meer.

B2

Kan de meest frequent voorkomende vormen van handelscorrspondentie voeren:
offertevraag, offerte, aanmaning, melding van ontvangst
Kan brieven schrijven waaruit gradaties van emotie spreken, waarin het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen wordt benadrukt en die commentaar geven op het nieuws en de visies van de geadresseerde.

B1

Kan brieven schrijven waarin nieuws wordt overgebracht of mededelingen gedaan.
Kan brieven schrijven waarin ervaringen en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven.
Kan brieven schrijven waarin de lezer wordt gevraagd iets te doen (bv prijs op te geven, informatie te verstrekken over leveringsvoorwaarden).

A2

Kan eenvoudige standaardformulieren invullen.
Kan zeer eenvoudige brieven schrijven waarin wordt gevraagd naar prijzen; waarin een bestelling wordt geplaatst of waarin dank wordt uitgesproken of verontschuldigingen worden aangeboden.

A1

Kan een korte, eenvoudige briefkaart schrijven.

top LUISTERVAARDIGHEID
C2

Heeft geen moeite met het begrijpen van enige vorm van gesproken taal, hetzij in direct contact, hetzij via de media, voortgebracht met de snelheid van de moedertaalspreker.

C1

Kan genoeg verstaan om uitgebreide betogen te volgen over abstracte en complexe onderwerpen buiten zijn of haar eigen vakgebied, al moet hij of zij misschien af en toe een detail laten bevestigen, vooral wanneer het accent niet vertrouwd is. Kan een breed scala van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal herkennen, en merkt daarbij registerverschuivingen op. Kan een uitgebreid betoog volgen, ook wanneer het niet duidelijk gestructureerd is en wanneer verbanden slechts worden geïmpliceerd en niet uitdrukkelijk worden benoemd.

Kan gesproken standaardtaal verstaan, hetzij in direct contact, hetzij via de media, over vertrouwde en nietvertrouwde onderwerpen die gewoonlijk worden aangetroffen in het persoonlijke, sociale, academische- of professionele leven. Alleen extreem achtergrondgeluid, onvoldoende structuur in het betoog en/of idiomatisch taalgebruik ondermijnen het begrip van het gesprokene.

B2

Kan de hoofdgedachten begrijpen van naar inhoud en vorm complexe gesproken tekst in een standaarddialect over concrete en abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied. Kan uitgebreide betogen en complexe redeneringen volgen, mits het onderwerp redelijk vertrouwd is en de richting van de discussie wordt aangegeven met expliciete signalen.

B1

Kan directe feitelijke informatie verstaan over gewone alledaagse of werkgebonden onderwerpen, en daarbij zowel algemene boodschappen als specifieke details herkennen, mits het gesproken woord helder wordt gearticuleerd in een over het algemeen vertrouwd accent. Kan de hoofdpunten verstaan van heldere spraak in standaardtaal over vertrouwde zaken die regelmatig aan de orde komen op het werk, op school, in de vrije tijd, enzovoort, met inbegrip van korte verhalende teksten.

A2

Kan genoeg verstaan om te kunnen voldoen aan behoeften van concrete aard, mits er helder en langzaam wordt gearticuleerd. Kan frasen en uitdrukkingen verstaan die verband houden met zaken van de meest directe prioriteit (elementaire persoons- en familiegegevens, boodschappen doen, plaatselijke geografie, werk), mits er helder en langzaam wordt gearticuleerd.

A1

Kan spraak volgen die heel langzaam en zorgvuldig wordt uitgesproken, met lange pauzes om de betekenis op te nemen.

top LEESVAARDIGHEID
C2

Kan vrijwel alle vormen van geschreven taal begrijpen en kritisch interpreteren, met inbegrip van abstracte, structureel complexe of zeer spreektalige literaire en niet-literaire geschriften. Kan een breed scala van lange, complexe teksten begrijpen en daarbij subtiele verschillen in stijl en impliciete en expliciete betekenissen opmerken.

C1

Kan lange, complexe teksten op detailniveau begrijpen, ongeacht of zij betrekking hebben op zijn of haar eigen vakgebied, mits hij of zij moeilijke passages kan herlezen.

B2

Kan in hoge mate zelfstandig lezen, past zijn of haar leesstijl en -snelheid aan verschillende teksten en doeleinden aan, en maakt selectief gebruik van toepasselijke naslagwerken. Beschikt over een grote actieve leeswoordenschat, maar kan enige moeite hebben met weinig voorkomende idiomatische uitdrukkingen.

B1

Kan met voldoende begrip directe feitelijke teksten lezen over onderwerpen die betrekking hebben op zijn of haar interessegebied.

A2

Kan korte, eenvoudige teksten begrijpen over vertrouwde zaken van concrete aard, die zijn geschreven in veelgebruikte alledaagse of werkgebonden taal. Kan korte, eenvoudige teksten begrijpen, geschreven met de meest gebruikte woorden, met inbegrip van een aantal woorden uit de gemeenschappelijke internationale woordenschat.

A1

Kan zeer korte, eenvoudige teksten frase voor frase begrijpen door vertrouwde namen, woorden, en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen.