Foto De jeugdhulp doet veel meer dan wat zichtbaar is

De jeugdhulp doet veel meer dan wat zichtbaar is.

D

De jeugdhulp doet veel meer dan wat zichtbaar is.

Het nieuwe Masterplan Jeugdhulp zet grote ambities uit. Maar dreigt een sterke focus op capaciteit, registratie en beheersing net de ruimte weg te drukken waarin hulpverleners vandaag het verschil maken? Onderzoeker Chris Swerts van het EQUALITY//ResearchCollective vertrekt vanuit signalen uit het werkveld en waarschuwt voor een jeugdhulp waarin vooral telt wat meetbaar en efficiënt organiseerbaar is. Goede jeugdhulp vraagt óók (en vooral) om professionele handelingsruimte, nabijheid en menselijkheid.

 

Beste beleid, weet je dat de jeugdhulp veel meer doet dan wat zichtbaar is?

Weet je eigenlijk dat de jeugdhulp veel verder gaat dan wat we denken te kunnen vatten? Dan wat we zien in cijfers, capaciteit, ‘flows’, systemen en registraties?

De recente beleidsplannen stellen de jeugdhulp voor een fundamentele keuze. Niet alleen een organisatorische, maar ook een ethische keuze. Jeugdhulpvoorzieningen worden vandaag in belangrijke mate beoordeeld aan de hand van registratiecijfers: capaciteit, bezettingsgraden, instroom en uitstroom. Die gegevens zijn belangrijk. Ze maken beleid mogelijk en bieden zicht op hoe publieke middelen worden ingezet. Maar wat gebeurt er wanneer de werkelijkheid van kinderen, jongeren en gezinnen zich niet langer toont in de registraties, meer nog, niet langer past binnen de geregistreerde werkelijkheid waarop beleid zich baseert? Registratiesystemen zijn per definitie een vereenvoudiging en een interpretatie van de werkelijkheid.

De realiteit van de jeugdhulp gaat echt ver voorbij daar waar de registratie stopt.

Wat gebeurt er wanneer een jongere zich samen met zijn vader op vrijdagavond in een acute crisissituatie van dakloosheid aandient? Wanneer een gezin dringende hulp nodig heeft, maar er wordt ingeschat dat andere gezinnen in een nog schrijnender situatie verkeren? Wanneer een jongere gespecialiseerde hulp nodig heeft, maar te horen krijgt dat zijn gedrag te problematisch is, dat hij “te complexe ondersteuningsnoden” heeft of gezien zijn middelengebruik niet elders kan geholpen worden? Wanneer er tijd nodig is om verbinding te maken met een jongere of gezin, zodat vertrouwen kan groeien in functie van een mogelijke opstart. Wanneer een hulpverlener geconfronteerd wordt met een situatie waarin formeel geen hulp kan geboden worden, maar dit tegelijk menselijk onverantwoord voelt?

In die momenten ontstaat een moreel appel. De keuze is dan niet langer administratief, maar menselijk. Niet handelen omdat er geen mandaat, capaciteit of financiering is? Of toch handelen, omdat de nood van een kind of jongere zich niet laat uitstellen tot een registratieformulier is ingevuld of alle voorgestructureerde kanalen zijn doorlopen? In die situaties kies de jeugdhulp vaak niet voor het systeem, maar voor de menselijkheid en verantwoordelijkheid. Niet omdat het zo voorzien is, maar omdat de situatie daarom vraagt.

Veel van wat de jeugdhulp dagelijks doet, speelt zich precies in die ruimte af. Bij hulpverleners die verder kijken dan hun opdrachtomschrijving. Bij organisaties die tijdelijke oplossingen zoeken wanneer er geen structurele beschikbaar zijn. Op de overtuiging dat maatschappelijke verantwoordelijkheid niet altijd samenvalt met wat geregistreerd of gesubsidieerd wordt.

Wanneer geregistreerde indicatoren daarom steeds zwaarder doorwegen in beleidskeuzes, dreigt ander werk minder zichtbaar te worden en daardoor ook minder gewicht te krijgen. En wat niet meetelt, dreigt op termijn ook minder ondersteund (en daadwerkelijk uitgevoerd) te worden. Het informeel overleg. De crisisopvang buiten de voorziene capaciteit. Het extra gesprek. De zoektocht naar een netwerk. De tijd om relatie op te bouwen als eerste stap voor verdere hulpverlening. Het opnemen van verantwoordelijkheid wanneer niemand anders dat doet. Dat werk is niet bijkomstig. Het is vaak net daar dat escalatie wordt voorkomen, vertrouwen wordt opgebouwd, en kinderen, jongeren en gezinnen opnieuw perspectief vinden. Het is ook daar dat zij het fundamenteel gevoel ervaren dat zij de moeite waard zijn, ertoe doen, en hun recht op hulp daadwerkelijk wordt waargemaakt.

Beleidsmatig wordt verder steeds meer nadruk gelegd op preventie, nabijheid en vroegtijdige ondersteuning. Maar tegelijkertijd wordt de ruimte kleiner om flexibel in te spelen op situaties die zich niet laten voorspellen of programmeren. Terwijl de leefsituaties waarmee kinderen, jongeren en gezinnen geconfronteerd worden complexer worden en meer creativiteit, ondernemingskracht, moed en handelingsruimte vragen, dreigt de sector zich noodgedwongen te terugplooien op haar “kernopdrachten”. Of toch minstens: dat is het risico.

De vraag mag daarom niet alleen zijn hoeveel plaatsen de jeugdhulp bezet. De vraag is ook welke werkelijkheid we willen erkennen en welke samenleving we willen zijn. Een samenleving waarin hulp beperkt blijft tot wat vooraf geregistreerd en gefinancierd is? Of een samenleving die ook hulpverleners en organisaties voldoende vertrouwen geeft om verantwoordelijkheid op te nemen wanneer de realiteit daarom vraagt?

Zoals ook treffend wordt verwoord in recente reflecties van Luc Deneffe, directeur op rust van De Wissel in Sociaal.net: “We voelen dat we falen en mislukken. Die onmacht beantwoorden we door op zoek te gaan naar nog meer van hetzelfde: nog meer capaciteit, vraag en aanbod nog beter monitoren en afstemmen. Dat is onvermijdelijk een doodlopend spoor. We moeten de economische logica van vraag en aanbod verlaten en weer op zoek gaan naar aansluiting met de brede samenleving”. Een analyse die de vinger op de wonde legt.

Registratie is nodig. Verantwoording is nodig. Maar wat registreerbaar is, valt niet altijd samen met wat maatschappelijk waardevol is. Want wie enkel kijkt naar de geregistreerde werkelijkheid, mist een groot deel van het werk dat de jeugdhulp dagelijks verricht. En vooral: mist de kinderen, jongeren en gezinnen die juist tussen die registraties door geholpen worden.

Zo heeft een jeugdhulporganisatie vorig jaar, naast alle reguliere trajecten en registraties, nog eens 44 kinderen en jongeren opgevangen, goed voor 89 opvangweken. Geen van hen verschijnt in de officiële registraties. Niet omdat deze hulp onbelangrijk was, maar omdat er op dat moment een dringend appel uitging van hun situatie. Omdat handelen noodzakelijk was. Omdat er geen tijd of energie was om eerst langs alle procedures en systemen te passeren, met bovendien het risico dat de hulp alsnog niet gerealiseerd zou raken.

In diezelfde context zien we in ambulante werkingen hoe broers en zussen binnen één gezin vaak gelijktijdig ondersteund worden, elk met hun eigen traject. Dit vraagt een meervoudige inzet van hulpverlening, die zich niet één-op-één laat vertalen in contexturen of registraties. De complexiteit en intensiteit van dat werk blijft daardoor vaak onderbelicht.

Dat is precies de ruimte die vandaag onder druk staat. Wanneer organisaties zich steeds verder moeten inpassen in capaciteitsbeheersing, monitoring, verantwoording en handhaving, dreigt de zuurstof uit het systeem te verdwijnen. De ruimte voor initiatief. Voor innovatie. Voor professioneel oordeelsvermogen. Voor zoeken, proberen en handelen wanneer de situatie daarom vraagt. Maar ook het vertrouwen en de ruggensteun van de overheid om te doen wat nodig is wanneer de werkelijkheid zich niet aan de regels houdt.

Daarom is het essentieel dat het uitgangspunt dat geen enkele voorziening erop achteruit mag gaan, niet enkel een beleidsintentie blijft, maar ook zo wordt ervaren op de werkvloer. Waakzaamheid is nodig, en in het bijzonder naar voorzieningen met een kleine capaciteit. Hun schaal laat vaak toe om nabij, flexibel en relationeel sterk te werken, maar maakt hen tegelijk kwetsbaarder voor systemen die sterk sturen op cijfers, bezetting en standaardisering. We moeten vermijden dat bepaalde werkvormen, schaalgroottes of innovatieve praktijken de facto aan draagkracht verliezen binnen de hervormingen.

Beste beleid,

Als de jeugdhulp van morgen echt wil bijdragen aan een samenleving waarin elk kind en elke jongere kansrijk kan opgroeien, dan dringt zich een fundamentele vraag op: welke ruimte wil het beleid vrijwaren voor dat wat zo noodzakelijk is voor veel kinderen, jongeren en gezinnen, maar zich niet laat registreren? Hoe krijgt die professionele en maatschappelijke handelingsruimte een plaats in de jeugdhulp van morgen?

 


Meer weten?

Over de expert

Chris Swerts

Chris Swerts is lector aan de bachelor­opleiding Orthopedagogie en senior researcher bij het EQUALITY Research­Collective. Binnen het onderzoeks­centrum doet hij o.a. onderzoek naar de kwaliteit van leven van jongeren binnen de brede jeugdhulp en het ruimere vraagstuk rond kwaliteit van ondersteuning en de impact van praktijk, beleid en onderzoek hierop.

stuur een e-mail