Foto De ratten van de lucht.

De ratten van de lucht.

D

De ratten van de lucht.

Sinds een klein jaar worstelt de Stad Gent met de aanpak van haar duivenproblematiek. Nadat de stad gewezen werd op het feit dat haar oude bestrijdingsmethodes – afvangen en vergassen met stikstofschuim, een methode die als diervriendelijk wordt beschouwd en bijvoorbeeld ook wordt toegepast in de pluimveesector – mogelijk in strijd waren met de Europese wetgeving, besloot ze haar beleid over een andere boeg te gooien. 

In eerste instantie werd beloofd om te stoppen met het doden van duiven, maar die belofte bleek de stad niet na te komen. Alleen de bestrijdingsmethode veranderde: de dieren werden niet langer vergast, maar de nek omgewrongen – op zich ook een snelle en vrij pijnloze handeling.

Die vaststelling zorgde voor consternatie in de gemeenteraad en bij een aantal dierenrechtenorganisaties. Waarom doodt een stad als Gent überhaupt nog duiven? Er bestaan immers diervriendelijker methoden, zoals de duivenpil. Waar er eerst twijfels waren over de kostprijs, de effectiviteit en de mogelijke ecologische gevolgen van zo’n pil – wat met slechtvalken die de anticonceptiva via de duiven zouden binnenkrijgen, of met andere vogels die van met anticonceptiva gecoat voedsel zouden eten? – blijken die nu van de baan. Geen argumenten meer om duiven te doden dan, toch? Dat bestrijding van duiven nodig blijft, staat immers voor iedereen buiten kijf: duiven veroorzaken overlast, ze zijn ongedierte. Dat doet de vraag rijzen: waarom beschouwen we het ene dier als te bestrijden ongedierte, terwijl we het andere juist willen beschermen?

Laten we beginnen bij de term ‘ongedierte’ op zich, want die is misleidend. Ze lijkt namelijk louter beschrijvend te zijn: alsof we er gewoon een bepaald type dieren mee identificeren. Maar de term ‘ongedierte’ doet meer dan alleen beschrijven: de term normeert ook. Wanneer we zeggen dat een dier ‘ongedierte’ is, dan suggereren we meteen: ‘dit soort dieren is onaangenaam en wil je niet in je buurt hebben. Bestrijding is aangewezen’. Ook concepten als ‘plaag’ en ‘overlast’ werken zo.

Wanneer je dergelijke concepten gebruikt, verhoud je je dus niet neutraal tegenover de werkelijkheid. Je eigen standpunt, je intuïties, wensen, noden en belangen zitten al vervat in je beschrijving. Dat houdt in dat je beschrijving van de werkelijkheid afhankelijk is van jouw context: wat voor jou ‘ongedierte’ is, een ‘plaag’ of ‘overlast’, is dat misschien niet voor andere mensen. Wanneer je dikke normatieve concepten gebruikt, zeg je dus eigenlijk meer over de relatie die je hebt tot datgene wat je beschrijft dan over dat ding op zich. Als we willen begrijpen waarom we sommige dieren ‘ongedierte’ noemen, moeten we dus kijken naar welke relatie we met die dieren hebben en – zoals zal blijken – met dieren in het algemeen.

Mensen houden over het algemeen wel van dieren, of staan er minstens neutraal tegenover, zolang dieren hun plaats kennen en zich gedragen. Het probleem is dat dieren zich doorgaans weinig aantrekken van al die verwachtingen van onze kant: ze kiezen zelf wel waar ze gaan of staan, en hoe ze dat doen. Sommige dieren zien daarbij allerlei kansen in een sterk vermenselijkte omgeving: vuilnisbakken die voorzien in voedsel en nestgelegenheid in gebouwen, bijvoorbeeld. Doorgaans vallen die dieren niet erg op, tot ze natuurlijk schade of overlast berokkenen: opengekrabde vuilniszakken, uitwerpselen op dorpels en tegen gevels, luid gekoer om zes uur in de ochtend.

Of en in hoeverre je al die dingen als overlast beschouwt, hangt in grote mate af van je eigen inschatting en tolerantiedrempel. Belangrijk om in te zien is echter dat die dieren pas opvallen wanneer ze ook schade berokkenen. Dat werkt negatieve beeldvorming in de hand. Ook de rotzooi die ze creëren of de plaats waar we ze het vaakst tegenkomen, gaat aan hen ‘kleven’. Als je een duif altijd tussen haar uitwerpselen ziet, dan ga je die dieren natuurlijk al snel zien als ‘vuil’. Dat terwijl ratten en duiven juist behoorlijk propere ‘beesten’ zijn die zichzelf uitgebreid verzorgen.

Een ‘overlastsoort’ is echter nog geen ‘ongedierte’. Er lijkt een extra kwalificatie aan vast te hangen. Ongedierte mag zichzelf dan al goed verzorgen, ze brengen toch ziektes mee. Dat klopt uiteraard vaak – maar heel veel wilde (en gedomesticeerde) diersoorten brengen allerlei ziektes met zich mee. Sommige daarvan, zoals egels, zien we maar al te graag in onze tuin, terwijl we voor anderen, zoals ratten, vergif klaarleggen. Van contact met egeluitwerpselen kan je echter net zo goed salmonella krijgen.

Het verschil is natuurlijk dat soorten als ratten, maar ook duiven, nog net iets liever dicht bij ons komen wonen – in het geval van ratten soms zelfs gezellig binnen in huis – en nog net iets meer interesse vertonen in ons voedsel. Die nabijheid maakt de kans op besmetting natuurlijk groter. Op zich betekent ‘ongedierte’ dus niet noodzakelijk een groter risico voor de volksgezondheid; het is de context die ervoor zorgt dat het risico op besmetting groter wordt. Daarnaast planten ratten en duiven zich ook snel voort en zijn het koloniedieren: zolang er voldoende voedsel is, kunnen ze met velen samenleven op een kluitje.

De laatste stap is echter de belangrijkste. Als mens hebben we immers niet alleen allerlei ideeën over hoe dieren zich zouden moeten gedragen, maar ook over waar ze thuishoren. Vaak hebben we – vanuit onze westerse cultuurgeschiedenis – een soort ideale opdeling van de ruimte in ons hoofd: je hebt de stad, het platteland en ten slotte de wildernis. Bij elk van die drie plaatsen ‘horen’ bepaalde diersoorten: everzwijnen en wolven in de wildernis, koeien en mooie zangvogels op het platteland en, in de stad, hoogstens huisdieren. Problemen ontstaan opnieuw wanneer dieren – die niet bezwaard zijn door onze kijk op het landschap – zelf kiezen waar ze opduiken: wolven op het platteland of, godbetert, in de buitenwijken van de stad bijvoorbeeld. Dat hoort niet; zo’n wolf moet terug naar de wildernis gebracht worden.

Maar waar horen stadsduiven en ratten eigenlijk thuis in de natuur? De stadsduif is een hybride soort: een mengeling van (gedomesticeerde) rotsduiven (die hier ‘van nature’ niet voorkomen) met een hele hoop andere rassen. We kunnen ze dus niet zomaar naar hun ‘rechtmatige plaatsje’ terugbrengen; zo’n plaatsje hebben ze gewoonweg niet. Je ziet dat contrast bijvoorbeeld het meest duidelijk wanneer je naar andere duivensoorten kijkt: houtduiven, Turkse tortels of tortelduiven. Die hebben allemaal wel een ‘rechtmatig’ plaatsje in ‘onze’ natuur en worden door allerhande wetgevingen beter beschermd.

Dieren die we als ‘ongedierte’ beschouwen, zijn in weerwil van onze perceptie – sterker nog, juist door onze perceptie – uiterst kwetsbaar. Ze worden geassocieerd met overlast, schade, vuil en ziektes en ze horen nergens thuis in de natuur. Ze zijn de naam ‘dier’ niet eens waardig. Uitroeien die handel, met alle mogelijke middelen. Respect zijn we ze niet verschuldigd; van ons trekken ze zich ook niets aan.

Die houding is spijtig. Juist de dieren die het meest van onze aanwezigheid profiteren en het liefst in onze buurt leven, behandelen we met het minste respect. We overladen ze met pek en veren, terwijl veel van het gedrag waaraan we ons storen het rechtstreekse gevolg is van onze eigen keuzes, ons eigen onbegrip en onze onwil om met hen rekening te houden. Als we elke dag een gedekte tafel buiten zetten, hoeft het niet te verbazen dat ze aanschuiven.

Samenleven met (wilde) dieren zal nooit conflictvrij zijn: onze belangen lopen te vaak uiteen. Het is bovendien duidelijk dat het met het ene dier al makkelijker samenleven is dan met het andere, en dat het soms nodig zal zijn om grenzen te stellen — in laatste instantie zelfs met geweld. Maar precies omdat die grenzen door ons worden getrokken, rust op ons ook de verantwoordelijkheid om dat met terughoudendheid te doen. Onmenselijkheid is daarbij echt voor niets nodig.


Meer weten?

Over de auteur

Glenn Deliège

Glenn doet onderzoek naar de ethische en filosofische aspecten van de relatie tussen mens, natuur en landschap en heeft daarbij bijzondere aandacht voor het samenleven van mensen en dieren in steden en cultuur­landschappen.

stuur een e-mail